Spijt op verkeerde gronden

De politieke bekentenismode die sinds Bolkesteins kruistocht tegen het communisme in zwang is geraakt, beperkt zich niet tot openbare spijtbetuigingen van ex-CPN-ers over de stalinistische dwalingen uit hun verleden. Ze heeft ook de sociaal-democraat Ed van Thijn in haar ban gekregen.

De vroegere fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer is afgelopen vrijdag in Nijmegen publiekelijk in het stof gekropen voor zijn harde tackles op de benen van zijn christen-democratische tegenspelers bij de kabinetsformatie van 1977. Van Thijn erkende dat hij en zijn partij tegenover de christen-democraten in respect tekort waren geschoten, in het bijzonder tegenover de minister van Justitie (Van Agt) toen die wat al te laconiek optrad tegen de van oorlogsdaden verdachte kunsthandelaar Menten. Volgens Van Thijn was zijn fractie met haar voorwaardelijke veroordeling van Van Agts beleid in 1977 te hard van stapel gelopen. Wat Van Agt destijds kwalificeerde als 'Hoofdstuk 1 van de Actie beschadiging Lijststrekker CDA' noemt Van Thijn nu zelfs “een laf oordeel”.

Ik neem aan dat het hier niet om een slip of the tongue gaat, die later in de week weer gerectificeerd moet worden, maar om een weloverwogen verklaring, die Van Thijn gepast vond voor zijn terugblik op het aantreden van het kabinet-Den Uyl, in mei aanstaande 25 jaar geleden. Als het Bolkestein-effect nog even wil aanhouden, staan ons vast nog meer spijtbetuigingen te wachten. Want dan komen niet alleen onbesuisdheden die Van Thijn c.s. tegen vroegere tegenstanders hebben begaan voor herroeping in aanmerking, maar ook die tegen partijgenoten en andere coalitiepartners. Zoals tegen Terlouw, de fractievoorzitter van D66, die bij de kabinetsformatie voortdurend buitenspel werd gezet (en letterlijk buiten moest wachten, terwijl de PvdA binnen met het CDA onderhandelde), omdat de PvdA D66 te klein vond voor servet en te groot voor tafellaken. Ook tegenover Terlouw kan een spijtbetuiging wegens 'onrespectvolle behandeling' niet uitblijven. Hetzelfde geldt voor de geestverwant W.F. Duisenberg, die na vier jaar ministerschap van Financiën te horen kreeg dat hij alleen op Financiën kon terugkeren als hij minder zou bezuinigen dan hij had aangekondigd. Duisenberg had een voorbehoud ('mits') tegen het regeerakkoord gemaakt. “Dan zul je dat mits moeten laten vallen, anders kan ik je niet voordragen”, aldus Van Thijn in zijn Dagboek van een onderhandelaar (blz. 262). Bezuinigers hadden een verdachte preoccupatie met het financieringstekort van de overheid in de ogen van het sociaal-democratische partijkader. Wie zich daarmee inliet was een handlanger van het kapitalisme die van het toneel verdwijnen moest. Toen Duisenberg liet weten dat het hem menens was, werd hij als kandidaat-minister vervangen door Dolman.

Het misstaat niemand om spijt te betuigen over de bejegening van zijn vroegere coalitiepartners, maar ik betwijfel of de woorden die Van Thijn heeft herroepen wel een excuus rechtvaardigen. Van Agt was gegriefd door de scherpe kritiek van de PvdA-fractie op zijn behandeling van de zaak-Menten, maar die behandeling was ook bepaald niet slagvaardig. Van Agt had Mentens opsporing laten versloffen, waardoor Menten de plaat had kunnen poetsen en Leiden in last geraakte. De PvdA betichtte de minister van Justitie van slordige dossierkennis, maar ook van miskenning van de gevoelens van de oorlogsslachtoffers. Aan weerszijden schoten de katten in de gordijnen, maar dat was in de gespannen sfeer die de verhoudingen in de coalitie beheerste niet ongewoon.

Sinds het begin van de vorige kabinetsformatie (1973) hadden PvdA en CDA elkaar het leven doorlopend zuur gemaakt en dat zou na de verkiezingen van '77 niet veranderen. Bij de kabinetsformatie van dat jaar bleven ze elkaar, als vanouds, elke meter grond betwisten. De wederzijdse formatietactiek leidde daardoor zowel tot ongekend tijdverlies als tot absurde tactische haarkloverijen. De PvdA, met tien zetels als de grote winnaar uit de stembusstrijd gekomen, verloor de formatie, doordat ze haar hand overspeelde. Daar lag een bewuste tactiek aan ten grondslag waar heel de PvdA achter stond. Daar past nu geen zoetsappigheid over. De onderhandelaars Den Uyl en Van Thijn waren gebonden aan het fantasieloze uitgangspunt dat de PvdA zoveel mogelijk zware kabinetsposten in de wacht moest slepen en het CDA zo min mogelijk moest worden toegestaan. Het was evident dat de PvdA met die tactiek aan het kortste eind zou trekken.

Maar dat lag niet aan de respectloze toon die de PvdA tegen Van Agt aansloeg, althans niet alleen. Het lag minder aan haar goede manieren dan aan haar gebrek aan de vereiste politieke intelligentie om een verkiezingsoverwinning in evenredige regeringsmacht om te zetten. De PvdA had geen oog voor de realiteit dat ze zelf niet meer dan een minderheidsgroepering was en dat CDA en VVD bovendien samen de meerderheid hadden gekregen, zodat die over een alternatief beschikten. Het ontbrak haar bovendien aan enig psychologisch inzicht in het gevoel van eigenwaarde van de andere partijen. De PvdA beschouwde het 'tweede' kabinet-Den Uyl als haar eigen kind. Het was van 'ons' en niet van 'hen'. In haar visie was het CDA niet alleen een dommekracht die er niet toe deed, het was ook een partij waarmee zij in wezen geen rekening wilde houden. Terwijl de verkiezingsoverwinning de partij van Van Thijn naar het hoofd was gestegen, was ze het ware gevoel voor democratie kwijtgeraakt. Haar drievoudig veto over de ministerskandidaten van het CDA betekende niet alleen: weg met Van Agt, Andriessen en Kruisinga, maar ook: weg met het CDA. Die verblinding, die het gevolg was van politieke arrogantie, zou veeleer een publieke schuldbekentenis rechtvaardigen.