Speren en helikopters

Op een vredige zondag is het na de kerkdienst opeens een drukte van belang op de rivier Bahau. In boten met pruttelende buitenboordmotoren begeeft men zich blauw walmend stroomopwaarts, als was het de start van een race. Zoals mannen op Hollandse eilanden na de kerkdienst naar het voetbal gaan, zo gaat men hier na de dienst op zwijnenjacht. Kayan Mentarang, een flink stuk Kalimantan dat grenst aan Maleisië, is nu dankzij bemoeienis van het Wereld Natuur Fonds een nationaal park.

Maar op sommige diersoorten wordt fanatiek gejaagd. Langs rivierlopen stuit je steeds weer onverwacht op mannen in bootjes. Zij wachten de dieren af die het water oversteken. Ter camouflage leggen ze wat bladertakken over de felgekleurde buitenboordmotor. Soms stellen ze zich zelf ook wat verdekt op, door achter een groene verschansing te zitten, ondertussen zonder geheimzinnig jagersgedoe gewoon doorrokend en -pratend. Het blijft vreemd om bij het passeren te zwaaien naar nagebouwde struikjes, waarop dan uit het groen een hand verschijnt.

Als overstekende dieren halverwege de rivier zijn, wordt per boot de achtervolging ingezet - met speren. Meestal gaat het om herten of om wilde varkens die naar vruchtbomen op zoek zijn. Die zwijnenjacht kan voor de natuurbescherming weinig kwaad - varkens zijn ijverige voortplanters. Maar alles wat de rivier waagt over te steken is potentiële buit. En ook gewoon doordeweeks is de jachtbezetting langs de oevers niet mis. Het is duidelijk - ook het verre binnenland van Borneo is geen ongestoord natuurparadijs. Dat hoeft ook niet, als de jacht maar in balans wordt gehouden. Dat wordt nog een hele klus. Vaardig jagende Dayaks hebben voorheen al menige diersoort op het enorme eiland vrijwel doen verdwijnen. Waarschijnlijk had Borneo wel degelijk zijn eigen tijger - maar die is dan lang geleden al verwijderd. Een kunststukje gezien het handjevol mensen dat hier woonde.

Zo zijn er andere kwesties van evenwicht. Niemand weet precies hoe het er in dit gebied met de bossen aan de Maleisische kant van de grens voorstaat. Slecht, zo blijkt uit de verhalen van twee Indonesische soldaten die net terugkeren van een patrouille langs de grens. In eigen land toch het een en ander gewend, spreken ze schande van de grootschalige ontbossing die aan de Maleisische zijde heeft plaatsgevonden - kale heuvels tot aan de horizon. Wanneer ik naar hun aanwijzingen het bewerkte gebied arceer op de kaart, duurt het vele vierkante kilometers voordat ik op kan houden met streepjes trekken.

Zelf zijn we ook op weg naar een kaal stukje, maar dat is ouder en kleiner. Temidden van het regenwoud van Kayan Mentarang liggen enkele sporen van vroegere menselijke bewoning - uitgestrekte, maar niet te grote graslanden. Nadat die afgelegen plekken anderhalve eeuw geleden door mensen werden verlaten, zijn ze voor het dierenleven in de omringende bossen heel aantrekkelijk geworden. Dieren als bantengs, wilde runderen, zouden zich hier nog makkelijk laten zien.

Banteng-kuddes boden op Borneo nog niet zo lang geleden een vertrouwde aanblik, grazend op natuurlijke open plekken langs rivierlopen. Een van de meest terughoudende handboeken meldt over deze dieren nu: 'In de laatste tientallen jaren genadeloos verdelgd.' Het gaat hier hard. In Europa hebben we er langer over gedaan.

Ons doel is de extra dagtochten waard. Glooiende, schijnbare alpenweitjes temidden van nauwelijks gerept regenwoud - het blijkt een fascinerende combinatie. De grasheuvels, met zowaar in de tropen zeldzame groei van bloemen, bieden vrij zicht op de bossen rondom. En een vrije geluidsdoorgave, zonder dempend bladerdak. Over de heuvels golven 's ochtends van alle kanten de melancholieke zangpartijen van gibbons aan - evenals verbluffend goede, dunner klinkende imitaties daarvan door beo's.

Elders voor de vogelhandel weggevangen buulbuuls kaatsen hier nog hun gejodel van heuvel tot heuvel. Duiven, neushoornvogels en blaffende herten doen hun best daarbij sonore accenten te plaatsen. Twee bospatrijzen scharrelen met rode koppen rond, terwijl een Sambarhert een struikje staat te halveren. In de verte steekt een zwarte arend over, aarzelt, en keert weifelend terug - voor zover een arend kan weifelen. Een onweerspartij maakt de zaak af, met donkere wolkenstormen boven de blauw oplichtende grasvlakte.

Je zou haast vergeten dat één ding vandaag ontbreekt: de banteng. Pootafdrukken en oude mesthopen zijn wel te vinden. Maar de wilde runderen zelf, met hun vacht van het mooist denkbare bruin en hun fijn afgetekende, tot de knie reikende sokken, laten zich zelfs hier niet zien.

Gelijk hebben ze. Dat blijkt wanneer we een dag later het dichtstbijzijnde dorp aandoen. Met enige regelmaat komen er tegenwoordig helikopters boven de grasvlakte, vertelt het dorpshoofd. Boven de kale heuvels is het prettig bantengs jagen. Die sport wordt uitsluitend beoefend door Maleisiërs die aan hun kant van de grens al door hun jachtobjecten heen zijn. Tot verontwaardiging van het dorpshoofd gaat het vooral om het schieten zelf. Dode dieren, tenzij materiaal voor een trofee, blijven achter. Dat is niet zoals het hoort.

Nee, dat is niet zoals het hoort. Het dorpshoofd zelf toont weer trots enkele flinke, nog verse koppen van twee soorten neushoornvogels die door jacht inmiddels gevaarlijk in aantal zijn teruggelopen. De exportwaarde van de snavelornamenten is tegenwoordig hoog.

Op de terugweg zijn we zo tactvol de jagers in hun bootjes zwijgend te groeten. Maar die willen van geen stilte weten - luid roepend informeren ze naar onze bevindingen stroomopwaarts. Die worden teruggeschreeuwd, en zo worden vandaag toch nog wat meeluisterende varkens van een oversteek weerhouden.