Raad voor Cultuur tot Nuis: Nederlandse muziek moet gestimuleerd

DEN HAAG, 20 JAN. De Nederlandse orkesten moeten in de toekomst elk een individueel vastgesteld minimum aan Nederlandse muziek ten gehore brengen. Ook dient er een financiële stimuleringsregeling te komen voor extra inspanningen bij het uitvoeren van werk van Nederlandse componisten.

De Raad voor Cultuur zegt dat in een advies dat vandaag is gestuurd aan staatssecretaris Nuis (OCW). Per 1 januari 1997 heeft het ministerie van OCW een heftig omstreden verplichting voor alle orkesten ingevoerd om tenminste zeven procent van de tijd die op het podium wordt doorgebracht te besteden aan Nederlandse muziek. Wordt dat percentage niet gehaald, dan wordt de subsidie verminderd.

De Nederlandse orkesten presenteerden in november een alternatief voor de hen opgelegde verplichtingen. Zij beloofden het gehele Nederlandse repertoire te bekijken op stukken die het kwalitatief waard zijn om te worden gespeeld. Zij deden Nuis echter geen enkele toezegging over de hoeveelheid Nederlandse muziek die zij willen spelen. Sommige orkesten, zoals het Nederlands Philharmonisch Orkest, spelen meer dan vijftien procent Nederlandse muziek. Het Koninklijk Concertgebouworkest komt nauwelijks verder dan één procent.

De Raad voor Cultuur neemt in het advies zowel afstand van het standpunt van Nuis als van dat van de orkesten. Volgens de Raad verschillen de orkesten te veel van elkaar om hen alle hetzelfde minimumpercentage op te leggen.

De Raad vindt de voorstellen van de orkesten nuttig, maar te summier en te vrijblijvend. De plannen van de orkesten geven onvoldoende houvast voor een verbetering in de nabije toekomst en zouden flink aangescherpt moeten worden om bruikbaar te kunen zijn.

De nu ingevoerde sancties op het niet halen van een bepaald percentage Nederlandse muziek zouden volgens de Raad moeten worden afgeschaft en vervangen door een financiële beloning als een bepaald inspanningsniveau wel wordt gehaald. Dat zou moeten worden geregeld in de volgende Cultuurnota voor de vier jaar na 2000.

De Raad vindt dat het spelen van Nederlands repertoire dat geen uitzonderlijke eisen stelt, behoort tot het reguliere artistieke beleid van orkesten. Wel bepleit de Raad stimulansen voor speciale programmeringen rond bepaalde componisten, faciliteiten voor 'composers in residence', die voor een periode zijn verbonden aan een orkest, faciliteiten voor bijzondere programmeurs en voor projecten op het gebied van publieksparticipatie, muziekonderwijs en muziekvakonderwijs.