Proces tegen burgemeester Kroatische stad begonnen

DEN HAAG, 20 JAN. Voor het VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië is gisteren het proces begonnen tegen de Kroatische Serviër Slavko DokmanoviEÉc, die verdacht wordt van betrokkenheid bij de moord op zeker 200 mensen in Vukovar in 1991. DokmanoviEÉc zou als burgemeester van Vukovar nauw betrokken zijn geweest bij de organisatie van de moorden.

De slachtoffers waren Kroaten, die door Servische militairen uit het ziekenhuis waren gehaald van de stad in Oost-Slavonië, die drie maanden eerder door de Serviërs werd aangevallen nadat Kroatië zich onafhankelijk had verklaard. De stad werd wekenlang met artillerievuur bestookt. Honderden mensen lieten daarbij het leven. Ruim 250 mensen hadden in de laatste dagen van het Servische beleg van de stad hun toevlucht gezocht in het ziekenhuis. Zij dachten daar veilig te zijn in afwachting van evacuatie onder toezicht van Europese waarnemers en het Internationale Rode Kruis.

Maar soldaten van het Joegoslavische Volksleger (JNA) en Servische paramilitairen dwongen hen het ziekenhuis te verlaten en in bussen te stappen. Na eerst naar de kazerne van het JNA te zijn gereden, belandden zij in een collectieve boerderij in Ovcara, vier kilometer van de stad.

De slachtoffers, onder wie patiënten, moesten daar uitstappen en tussen twee rijen soldaten rennen, die hen sloegen. In een loods van de boerderij werden zij daarop urenlang gemarteld. “Daar speelden zich scènes van een onvoorstelbare wreedheid af”, aldus de aanklager van het tribunaal, gisteren in zijn requisitoir. Twee mensen overleefden de mishandelingen niet. DokmanoviEÉc was er in Ovcara bij en was betrokken bij de voorbereidingen voor de massa-executies, aldus de aanklager.

Aan het einde van de dag moesten de slachtoffers in groepen van tien tot twintig in een vrachtauto stappen. Die verliet de boerderij en keerde kort daarop leeg terug, om weer vol te vertrekken. In de avonduren van 20 november 1991 executeerden Servische soldaten zeker 198 mannen en twee vrouwen. Na de moordpartij begroeven zij de lichamen met een bulldozer op dezelfde plaats in een massagraf. Ook daar was DokmanoviEÉc de hele tijd bij aanwezig en hielp hij de militairen. De resten van 200 mensen in het massagraf zijn in september en oktober 1996 opgegraven. Meer dan vijftig mensen worden nog vermist.

Er is slechts één overlevende van het bloedbad: een man die onder de vrachtauto wist te kruipen. Deze man is een van de getuigen, aldus de aanklager, die zijn requisitoir aanvulde met beelden van de stad en de ontruiming van het ziekenhuis.

De Servische advocaat Toma Fila van DokmanoviEÉc noemde de aanklacht na afloop van de eerste zitting “een groot verzinsel”. Hij zei maar liefst 97 getuigen te hebben gehoord die het bewijs leveren dat DokmanoviEÉc elders was op het moment dat de misdaden plaatsvonden. Ook voerde hij aan dat zijn cliënt op het moment van de daden al lang geen burgemeester van Vukovar meer was en leefde in het dorp Trpinja. Daar was hij ook op de avond van 20 november, aldus Fila, die het tribunaal afdoet als een “politiek instrument”.

DokmanoviEÉc is aangeklaagd voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Het tribunaal stelde hem samen met drie officieren van het JNA - die bevel gaven tot de evacuatie en de executies - in staat van beschuldiging.

Toen DokmanoviEÉc in juni vorig jaar werd opgepakt, was hij niet van de aanklacht op de hoogte. Deze was door het tribunaal geheim gehouden, om de kans op aanhouding niet te frustreren. (AP, ANP)