Politiek neemt sport eindelijk serieus

Ze zaten er gisteren op het podium van het Haagse Diligentia bij als mecenassen. Bolkestein (VVD), De Hoop Scheffer (CDA), De Graaf (D66), Rosenmöller (GroenLinks) en Wallage (PvdA) glommen alsof ze zojuist de gemeenschap een grote dienst hadden bewezen.

Het applaus steeg op uit een zaal gevuld met mensen die sportbeoefening als een noodzaak voor de samenleving beschouwen. De fractievoorzitters van de regeringspartijen in de Tweede Kamer hadden allen bij de forumdiscussie 'Kiezen voor een gezonde samenleving' onder leiding van Paul Witteman toegezegd vijftig miljoen gulden extra te willen investeren in de sport. Zelfs GroenLinks sloot zich aan bij de gulle gevers. Slechts het CDA durfde nog geen financiële belofte te doen.

Zowaar bijna een verdubbeling van de overheidsbijdrage, die op dit moment 55 miljoen gulden bedraagt. Staatssecretaris Terpstra van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wist met haar blijdschap bijna geen raad en bedolf haar collega-politici met loftuitingen. De vrouw die sport in de Nederlandse samenleving uit het hoekje der onnozelen van geest heeft gehaald, had de wijze mannen van de regeringspartijen met succes voor het front van de sportwereld uitgedaagd.

Veel nieuwe invalshoeken wist Witteman het forum niet te ontlokken. Voor de toehoorders bezigden de politici vooral gemeenplaatsen. Demagogie en debating-vaardigheden werden aangewend om gebrek aan inzicht in de materie te verdoezelen. Vier maanden voor de verkiezingen waren vooral de vertegenwoordigers van de paarse coalitie een dankbare prooi voor Terpstra en NOC*NSF-voorzitter Huibregtsen, de mensen die zes jaar geleden premier Lubbers nog hoorden verkondigen dat sport zich zelf maar moest bedruipen.

Het debat kon de indruk niet wegnemen dat veel uitspraken waren voorgekauwd. Al dan niet ingefluisterd door de sportspecialisten van hun partijen opperden de lijsttrekkers met veel aplomb dat sportbeoefening relevant is voor de samenleving. Sport draagt bij tot socialisatie en integratie, is karaktervormend, draagt bij tot de gezondheid van lichaam en geest en is van economisch belang. Dat was al bekend. Net zo voorspelbaar was hun pleidooi voor de herwaardering van de gymnastieklessen op school door vakleerkrachten en de herinvoering van verplicht schoolzwemmen. Het was niettemin bemoedigend te horen dat de politiek zich daarover eensgezind uitliet.

In de sfeer van scherpe tongen en flauwe grappen, viel Bolkestein uit de toon. Zijn opmerking dat “de maatschappelijke betekenis van sport buitengewoon groot is” en “dat ouders hun kinderen moeten aanmoedigen aan sport te doen en zich moeten onthouden van onheus gedrag aan de zijlijn”, had hij vermoedelijk van horen zeggen. Juist iemand die de groeiende aandacht voor sport met scepsis beziet, had kritische kanttekeningen kunnen maken. Intellectuelen als Bolkestein zijn doorgaans snel geneigd sport te beschouwen als een vlucht en een afleiding van de wezenlijke dingen van het bestaan. Maar de VVD'er vond het kennelijk niet gepast in deze sportieve sfeer als dissident op te treden.

Bolkestein had de volgende redeneringen aan de discussie kunnen toevoegen. Sport leidt ook tot verdwazing, sport verbroedert niet per definitie en kan zelfs vijandschap tussen volkeren en bevolkingsgroepen veroorzaken. Competitie werkt agressie in de hand en sport kan leiden tot gebruik van doping en andere excessen.

Maar niemand wilde de discussie een andere wending geven. Waren ze bang in het debat met de alerte Witteman voor schut te staan of vastbesloten de collega's van de coalitie niet af te vallen?

Rosenmöller deed als opposant ten minste een poging nuance aan te brengen, maar hij mag gezien de twaalf regels die GroenLinks in zijn verkiezingsprogramma aan sport besteedt, nauwelijks serieus worden genomen. “Die vijftig miljoen is best veel”, opperde hij tenslotte. “Maar of het genoeg is, is de vraag.”

Opvallend was dat niet over topsport werd gerept. Op de mogelijke aanwezigheid van het Oranjegevoel bij de politici werd geen beroep gedaan. Gelukkig maar. Het geld zou eens in de gretige handen kunnen vallen van de miljoenen verslindende topsporters.

Wallage deed een voorstel om 'een contract voor de sport' aan te gaan. Rijksoverheid, provincies en gemeenten gaan met sportbonden en andere betrokkenen gezamenlijk een beleid uitzetten. Hij pleitte voor rondetafelgesprekken. In het regeerakkoord dient, volgens Wallage, sport niet meer als apart onderdeel te worden opgenomen. In plaats daarvan wordt sport een kapstok voor heel veel activiteiten die afzonderlijke departementen gaan ondernemen.

De financiële bijdrage aan sport wordt in de gedachtegang van Wallage een verantwoordelijkheid van de hele overheid. Hopelijk dringen deze ideeën door tot alle geledingen van de politiek. Want sport is uiteraard niet alleen een zaak voor de sport, sport is een zaak voor de hele samenleving. Terpstra nam het voortouw door het plan van Wallage een godsgeschenk te noemen.

Het is eindelijk zo ver: sport krijgt van de politiek de waardering die het verdient.