Olielanden in lichte paniek over daling van prijzen

ROTTERDAM, 20 JAN. In de olieproducerende landen is lichte paniek uitgebroken over de sterke daling van de olieprijzen, tot het laagste niveau sinds 1994. Zozeer zelfs dat Opec, de organisatie olie-exporterende landen, volgende week op 26 januari in Wenen een spoedberaad houdt.

Daar komt de vraag op tafel of het in november genomen besluit tot verhoging van het gezamenlijke productieplafond van de elf lidstaten met 10 procent tot 27,5 miljoen vaten per dag niet moet worden teruggedraaid. Opnieuw heeft de verdeeldheid binnen Opec toegeslagen, want de grootste voorvechter van dat besluit, Saoedi-Arabië, laat het afweten.

Volgens een woordvoerder van Opec gaat het om een vergadering van het ministercomité, bestaande uit drie van de grootste producenten: Nigeria, Iran en Koeweit, “maar andere lidstaten zijn ook welkom”. Intussen heeft de Engelstalige krant Iran News, vaak een spreekbuis van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Teheran, er bij Saoedi-Arabië op aangedrongen om zijn olieproductie te matigen “om (weer) een balans tussen aanbod en vraag te bereiken die moet leiden tot een meer stabiele markt.”

De Saoediërs zijn veruit de grootste olie-exporteurs ter wereld, met een nieuw quotum binnen Opec van 8,76 miljoen vaten (159 liter) per dag. In november zei Ryad nog dat de vraag naar olie zou stijgen en dat Opec om zijn marktaandeel te verstevigen daarop moest inspelen door een productieverhoging. Te lang waren de Opec-lidstaten op de internationale markt ingehaald door het stijgende aanbod van andere producenten zoals Noorwegen, was de redenering.

Maar intussen heeft de financiële crisis in Azië voor donkere wolken boven de oliemarkt gezorgd. Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) in Parijs berichtte vorige week donderdag dat de “moeilijke economische situatie” in Azië dit jaar een “aanzienlijk effect” op de vraag naar olie zal krijgen. In november had het IEA al rekening gehouden met een verlaging van de vraag in Azië met 230.000 vaten ruwe olie per dag. Niet alleen de vertraging in economische activiteiten in de regio is daarbij van belang, maar ook het effect van de dalende waarde van Aziatische valuta's tegenover de Amerikaanse dollar waarin alle olieproducten op de wereldmarkt worden afgerekend. “Degenen die nu een groter negatief effect op de vraag voorspellen, wijzen niet alleen op een verdere erosie in lokale markten, maar ook op de spill-over effects op andere landen met vergelijkbare schulden en risico-karakteristieken”, aldus het agentschap.

Op de termijnmarkten in Londen en New York heeft zo'n aankondiging direct effect, want de vrij zachte winter in de Verenigde Staten en West-Europa had al een vertraging in de vraag naar huisbrandolie en andere brandstoffen laten zien.

Ook de verlenging van de 'olie-voor voedsel' overeenkomst tussen de Verenigde Naties en Irak droeg de laatste weken bij aan een forse prijsdaling tot rond 15 dollar per vat: zes dollar lager dan de richtprijs van 21 dollar die de Opec nog altijd hanteert. Maar ook buiten Opec heerst er zorg over de verminderde inkomsten die daarvan het gevolg zijn. Want olie-export zorgt in de meeste typische olielanden voor meer dan 90 procent van het nationaal product en 95 tot 98 procent van de staatsinkomsten.

Vorige week drong de olieminister van Oman aan op een spoedvergadering van de Samenwerkingsraad voor de Golf (GCC): Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten, Bahrein, Qatar (allen lid van Opec) en Oman (geen lid van Opec). Saoedi-Arabië, de Kasparov van het olieschaakspel, heeft daarop nog niet gereageerd. Dat duidt op weinig mededogen met de kleinere producenten die veel zwaarder door een lage prijs worden getroffen.

Gisteren zorgde de Iraakse leider Saddam Hussein weer voor een lichte stijging van de prijzen op de olietermijnmarkt in Londen, met 36 dollarcent tot 15,86 dollar per vat. De Verenigde Naties verwerpen Saddams dreigement dat toegang van de wapeninspecteurs in Irak wordt gekoppeld aan een spoedige beëindiging van de economische sancties. Dat kan de kans op een beperkte militaire actie tegen Irak doen toenemen.