Nederlands Plus

Een taal rondt zich altijd af naar beneden en verkrijgt daarmee haar hoogste vorm: per woord en per zin, syntactisch. Vreemde, buitenlandse woorden worden pas door een taal opgenomen als ze niet langer vreemd worden gevonden en dat geldt ook voor zinsconstructies.

Gemiddeld een keer per vijf jaar wijst mijn uitgever mij op een groningsisme en dan wordt dat vervangen door goed, algemeen Nederlands. Zodat het niet meer opvalt. Wat opvalt is fout.

De eerste keer dat ik een verkeerd, want Gronings woord gebruikte, was ikzelf ook de eerste die het opmerkte. Ik was acht jaar en schreef een opstel. Ik vertelde dat ik bij Appie speelde en schreef toen de zin 'Het was bijna zes uur en ik mos naar huis.' Daar stond ik van te kijken, van dat mos. Ik had al heel wat boeken gelezen in mijn leven, maar mos kende ik alleen als een zachte, vochtige begroeiing, niet als een werkwoord. Welk woord bedoelde ik eigenlijk. Het duurde even voordat ik doorhad dat daar 'moest' moest staan.

Zo corrigeert het Nederlands zichzelf. In het dagelijkse leven beweer ik doorgaans dat ik ergens zin aan heb. Maar laat ik een romanfiguur ergens zin aan hebben, dan schrijf ik automatisch 'in'. Op papier is het in.

Ik ben 's een column begonnen met de zin 'Waar je niet van houdt moet je niet over praten.' Correct is dat niet, maar ik wilde het zo laten staan. 'Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.' Zo hoort het, ook in het Nederlands, dat weet ik wel, maar een zin schrijven waarin de spreektaal klinkt, dat mag een enkele keer.

Nu zag ik kortgeleden dat deze spreektaal opgenomen is in de schrijftaal van het Drents: 'Waj de meute weerd vindt, heuf je nog niet van holden.' Wat je de moeite waard vindt, hoef je nog niet van te houden. En een paar bladzijden verder: 'Wel of hier einlijk an 't woord is, koj niet achter.' Wie hier eigenlijk aan het woord is, kom je niet achter.

Plezierig zoiets 's op papier tegen te komen. Het legaliseert mogelijk toekomstig gebruik in het Nederlands, waar je er het wijdlopige gebruik van 'er', 'daar', 'waar', 'dat' en 'wat' mee kunt reduceren. Ook de samenstellingen 'koj' en 'waj' bevallen me. Zo las ik 'aj' (als je), 'wiw' (willen we), 'kuw' (kunnen we)... Bij Drents wordt vaak meteen gedacht aan plat, maar eenmaal schrijftaal krijgen deze woorden een ongewone kracht.

Zo heb je in het Fries het woordje 'te'. Hy is te fiskjen. Hij is te vissen. Dat zeg je eigenlijk niet, in het Nederlands. Je zegt, hij is aan het vissen. Maar dat is het net niet. Hij is misschien helemaal niet aan het vissen. Maar wel is hij te fiskjen. Hij is weggegaan om te vissen. Dat betekent het. Weggegaan om te. Wat een omhaal. Het Fries is eleganter. Daarom, wie weet, zal op een dag ook het Nederlandse volk zeggen en schrijven: hij is te vissen. Dat het een frisisme is zal tegen die tijd geen verwijt zijn, maar een aanbeveling. Zo zijn wij dan.

Woorden verschuiven, niet naar de vorm (die blijft, eenmaal opgenomen in de schrijftaal, nagenoeg dezelfde), maar naar de inhoud. En ik heb, dat begrijpt u, sterk het vermoeden dat die verschuiving haar aanzet heeft in de streektalen.

Jaren geleden heb ik 's, zwart op wit, in een roman, het woord 'kontje' gebruikt (in vrouwelijke zin) waar, volgens sommige lezers, 'buikje' had moeten staan, of iets nog intiemers. Maar juist het Gronings, wat voor een ruwe taal dat ook moge zijn, heeft mij geleerd te luisteren naar de stem van het volk dat, als het over de vrouw gaat, alles beneden de navel kont noemt.

Zoek je het woordje op in het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan, dan lees je dat het wordt geïllustreerd door de uitdrukking 'Kop mout kont verkoopm'. 'Wordt gezegd van een meisje dat door haar mooie gezichtje aan de man probeert te komen.'

Zo ben ik in mijn roman, zonder het te weten, via de streektaal automatisch subtiel geweest.