In de winkel

Dikwijls staat hij in de deuropening van zijn winkel. De mensen zien zijn koninklijke houding, zijn diepzwarte huid, het hoog opgestoken haar omwonden met lange kleurige sjaals en zijn gezicht, identiek aan dat van de stille houten goden achter het raam. Hij draagt kettingen met glanzende blauwe stenen. Om de polsen rinkelen zilveren armbanden, de vingers zijn met ringen versierd.

Zijn kleding bestaat uit vele lagen Afrikaanse katoen, handgeverfd en handbedrukt met eeuwenoude motieven. De gewaden vallen ruim. Ze zijn het mooist wanneer ze in beweging zijn, wanneer de drager erin loopt, wanneer ze waaien in de wind en de sjaals als wimpels wapperen. Ze zijn ontworpen voor een achtergrond van okerkleurig zand en wolkenloos azuur.

Hij staat. Langs hem snelt het verkeer. Horden bleke mannen en vrouwen ijlen voorbij in kleurloze kleren zonder zwier. Hij daarentegen lijkt geen haast te kennen. Zijn staan roept verlangen op naar een land zonder klok, een plek waar niet wordt gedacht in minuten, maar in tijdsduur. De duur die de dadel nodig heeft om te rijpen, de duur die nodig is om een kleed te weven. Een land waar niet de klok de duur van de handeling bepaalt, maar de handeling zelf. Nieuwsgierig lijkt hij evenmin. De wereld binnen zijn blikveld is hem ruim genoeg. Alsof alles wat harder rent dan een kameel de moeite van het aanzien niet waard is.

Volgens onze maatstaven is hij misschien klein, maar door de houding van zijn hoofd, de wijze waarop hij zijn ogen opslaat of - nog waarschijnlijker - door de gedachten die hij koestert, rijst hij boven iedereen uit.

Zijn serene onafhankelijkheid en dat stille staan in een wereld die rust noch duur kent, schrikt sommigen af. Anderen worden erdoor aangetrokken. Ze willen hun gevoelens onder woorden brengen. Maar omdat ze voor die rust geen woorden kennen, zeggen ze wat ze wél kunnen benoemen: 'You are so beautiful!' Hij knikt, hij verstaat hun intentie.

Op een krukje van houtsnijwerk staat de kassa: een kartonnen dekseltje met papiergeld waarop een doosje met munten. De prijs van de artikelen schrijft hij voor de klanten op een blocnootje.

's Nachts is de winkel in tweeën gesplitst. Halverwege de zaak hangt over de gehele breedte een wit gordijn. Waarom wit? Geen enkel voorwerp, geen enkele stof in de winkel is wit. Vormt dat witte vlak de scheiding tussen culturen? Of is het een magische grens? Het lijkt of alles achter dat wit is opgelost, alsof de voorwerpen, de slaper en zijn dromen voor de duur van de nacht naar Afrika zijn teruggekeerd.