In de wereld van gewasverbetering draait alles om het grote geld; De plant als machine

Genetische manipulatie van gewassen is niet meer weg te denken uit de zaadwereld. Wereldwijd strijden bedrijven om patenten op genen en genetische technieken. De grote chemieconcerns lijken als winnaars uit de bus te komen. Met hun kapitaal halen ze eenvoudigweg de biotechnologie en de zaadbedrijven in huis.

Veel Europese consumenten staan aarzelend tegenover genetische manipulatie van gewassen. Voor de zaadbedrijven is een wereld zonder deze gewassen echter al lang geen optie meer. De gemodificeerde soja en maïs die sinds kort worden verwerkt in pizza's, pasta's, sauzen, veevoer en andere producten lijkt pas het begin. In Europa lopen zo'n duizend veldproeven met gemanipuleerde maïs, tomaten, koolzaad, meloen, aardappelen, anjers, sinaasappelen en aardbeien. In de Verenigde Staten besloegen de velden met genetisch veranderde maïs, aardappelen en soja afgelopen zomer al een areaal ter grootte van Zwitserland.

Biotechnologen proberen door het rechtstreeks inzetten van erfelijk materiaal rassen te verbeteren, in aanvulling op het 'traditionele' kruisen door de veredelaars. In de laboratoria van bedrijven en universiteiten worden de laatste jaren aan de lopende band genen geïsoleerd, die de informatie bevatten voor nieuwe eigenschappen. Daarnaast groeit het aantal genetische technieken waarmee veredelingsprogramma's sneller zijn uit te voeren. Het regent dus patenten in de plantenbiotechnologie.

De technologische beloftes hebben de zaadindustrie de laatste twee jaar flink in beweging gezet. Fusies, overnames en strategische samenwerkingsverbanden zijn aan de orde van de dag. Daarbij gaat het steeds om allianties tussen drie partijen: zaadbedrijven, fabrikanten van bestrijdingsmiddelen en plantenbiotechnologiebedrijven. Het is geen wonder dat juist deze drie partijen elkaar opzoeken. Samen hebben ze bijna alles in huis wat nodig is voor op biotechnologie gebaseerde veredeling. De biotechbedrijven bezitten patenten op genen en genetische technieken, terwijl de zaadbedrijven goede rassen hebben om de genen in te zetten. Ook beschikken ze over kennis van veredeling en de zaadmarkt. De chemieconcerns hebben kapitaal om dat alles op te kopen - en om de slepende gerechtszaken over octrooien te betalen.

In het vakblad Spil analyseerde onderzoeker Jos Bijman onlangs een aantal recente overnames. Hij constateert dat enkele grote, voor de zaadwereld nieuwe, partijen het veld agressief aan het betreden zijn. Meest ambitieuze nieuwkomer is de Amerikaanse bestrijdingsmiddelenfabrikant Monsanto, die vorig jaar met herbicide-resistente soja op de markt kwam. In de afgelopen drie jaren kocht deze chemiegigant drie plantenbiotechnologiebedrijven op, die stuk voor stuk een paar belangrijke patenten in handen hadden. Een van de biotechbedrijven had bijvoorbeeld een pakket patenten op de aanmaak van laureaatolie in koolzaad. Deze olie, die normaal niet in koolzaad voorkomt, is te verkopen aan de zeepindustrie. Monsanto brengt dit laureaatproducerende koolzaad nu op de markt.

Monsanto is ook actief in het opkopen van zaadbedrijven. Begin 1997 kocht deze bestrijdingsmiddelenfabrikant de grote Amerikaanse maïsleverancier Holden's op, voor een bedrag van niet minder dan een miljard dollar. Na de recente overname van een ander groot maïszaadbedrijf, DeKalb, is Monsanto in één klap een van de grootste maïsveredelaars ter wereld. En daar blijft het niet bij. In 1995 nam Monsanto de landbouwzadendivisie van het Amerikaanse zaadbedrijf Asgrow over, waardoor het tien procent van de sojamarkt in handen kreeg. Daarnaast heeft het bedrijf een strategische alliantie met de grootste Amerikaanse katoenzaadleverancier, en het heeft zelf een aardappelveredelingsbedrijf opgezet. Monsanto is dus geen chemiebedrijf meer te noemen. Zelf profileert de onderneming zich inmiddels als life science company.

Monsanto is niet de enige met deze strategie. Op wereldschaal kristalliseren zich nu een tiental biotechnologieconglomeraten voor de land- en tuinbouw uit. De inmiddels gefuseerde Zwitserse fabrikanten Ciba Geigy en Sandoz (bestrijdingsmiddelen en medicijnen), kochten al in de jaren tachtig zaadbedrijven op, waaronder het Nederlandse SenG Seeds in Enkhuizen. Vorig jaar schoot hun positie in de zaadwereld omhoog, toen ze samengingen in het huidige bedrijf Novartis.

Het Engelse chemie- en farmaciebedrijf Zeneca, dat twee jaar geleden met gemodificeerde, langer houdbare tomaten op de Britse markt kwam, beschikte al over dochteronderneming Zeneca Seeds. Deze sloeg in 1996 de handen ineen met het Nederlandse landbouwzadenbedrijf Van der Have in Zeeland, waarmee het nu samen het zaadbedrijf Advanta vormt. Het Britse moederbedrijf versterkte de biotechnologiepositie, door deze zomer het Leidse bedrijf Mogen op te kopen. Een soortgelijke ontwikkeling doorloopt het Duitse chemieconcern AgrEvo (fusie tussen Schering en Hoechst). Agrevo is onder meer eigenaar van het Nederlandse groentezaadbedrijf Nunhems Zaden. De Duitse gigant haalde vorig jaar voor een miljard gulden het Belgische Plant Genetic Systems in huis.

De nieuwe life science companies hebben inmiddels flink wat in de aanbieding: bestrijdingsmiddelen, kunstmest, zaden, en biotechnologie om de zaden te verbeteren. Sommige hebben ook voedselverwerking en -handel in huis. Een nog niet genoemde nieuwkomer in de zaadwereld, het Mexicaanse Empresas La Moderna (ELM), komt uit de voedingsbranche. Dit concern kocht in 1995 het grootste groentezaadbedrijf ter wereld, dat nu Seminis Vegetable Seeds heet. Onder Seminis vallen twee Amerikaanse en twee Nederlandse zaadbedrijven, waaronder het in 1867 gestichte West-Friese familiebedrijf Royal Sluis.

De vier dochterbedrijven hebben directe toegang tot biotechnologie via het Amerikaanse biotechbedrijf DNA Plant Technology, dat sinds kort ook van ELM is. Daarnaast is Seminis met Monsanto overeengekomen eerst aan elkaar technologie uit te licentiëren, voordat naar derden wordt gestapt. Samen hebben ze in november ook een nieuw biotechbedrijf in San Francisco opgezet. Via een handelsbedrijf in de VS en in Europa, neemt ELM de productie, verwerking en handel van de nieuwe groenten en fruit voor zijn rekening.

Ook voor de zaadbedrijven die nog niet in handen zijn gevallen van een industriële gigant is er veel veranderd. Zij kunnen niet meer om de grote conglomeraten heen, omdat deze inmiddels de meeste patenten in de plantenbiotechnologie in handen hebben. En concurreren zonder gepatenteerde gentechnologie lijkt lastig te worden. Om die reden zijn de onafhankelijke zaadbedrijven aan het winkelen bij de grote concerns, voor de licenties die nodig zijn om een bepaald ras te kunnen ontwikkelen. Voorheen hadden de zaadbedrijven alleen te maken met het kwekersrecht, nu gaat het om complexe onderhandelingen over octrooien, met partners die gewend zijn dit soort gesprekken te voeren.

Lukt het de zelfstandige zaadbedrijven om voldoende toegang tot de nieuwe technieken te krijgen? “Voor een kleine onafhankelijke firma moet je flink je best doen”, erkent Joep Lambalk, manager RenD bij Enza Zaden in Enkhuizen. “Nu de chemische bedrijven ook tot in het zaadvak gaan, zal het er niet gemakkelijker op worden. We gaan zeker een aantal spannende jaren tegemoet.”

Lambalk toont zich echter niet pessimistisch. De onafhankelijke zaadbedrijven proberen ook zelf patenten te verwerven, zodat ze licenties kunnen ruilen en een interessante gesprekspartner blijven. Samen met een aantal andere Nederlandse onafhankelijke zaadbedrijven heeft Enza tien jaar geleden Keygene opgericht, dat inmiddels een flinke patentportefuille heeft. En onlangs heeft Enza ook zelf een patent verkregen.

De Nederlandse zaadbedrijven beschikken over vakkennis èn goede rassen. Dat is belangrijk voor hun positie, want de biotechconglomeraten zijn net zo afhankelijk van goede rassen waarin ze hun genen kunnen zetten, als de zaadbedrijven dat zijn van de nieuwe biotechnieken. Een slecht ras verkoopt niet, al hebben biotechnologen er twintig interessante genen ingebouwd.

Met 250 medewerkers is Enza geen grote onder de zaadbedrijven. Maar het bedrijf loopt goed en hoopt zelfstandig te kunnen blijven. “Het zaadvak is onze lust en ons leven”, zegt Lambalk. “We werken nu alleen met mensen die gefocussed zijn op goede rassen. Als je onderdeel bent van een conglomeraat, heeft het management ook nog andere pijlen op de boog dan zaden. In ons vak duurt het vaak heel lang voor je een goed product hebt. In de industrie willen ze snel resultaten. Dat kan dan spanningen opleveren.”

Maar al worden zaadbedrijven niet graag opgekocht, een verdere concentratie ligt in de lijn der verwachting. Volgens Ben Tax, directeur van het onafhankelijke groentezaadbedrijf Rijk Zwaan in De Lier (600 medewerkers), hebben dertien groentezaadleveranciers tachtig procent van de markt in handen. Daarvan maakt ongeveer de helft deel uit van een biotechconglomeraat. Over een paar jaar, zo denkt hij, zal diezelfde tachtig procent geleverd worden door acht à tien groentezaadbedrijven.

Levert die concentratie een probleem op voor de landbouw? “Het moeten er niet minder worden dan acht á tien”, vindt de directeur van Rijk Zwaan. “Vanaf het moment dat nog vier of vijf bedrijven tachtig procent van de groentezaadmarkt hebben, lopen we het risico dat wereldwijd nog maar een of twee bedrijven zich met een bepaald gewas gaan bezighouden. Dan is er te weinig concurrentie, wat bedrijven niet stimuleert om rassen te verbeteren.”

Een ander risico is volgens Tax dat biotechbedrijven kunnen weigeren om genetische technieken uit te licentiëren, zodat zij op de markt langer de enige aanbieder van een nieuw type ras zijn. Ook dat zou de veredeling kunnen remmen. Het is onduidelijk hoe groot dit probleem wordt, omdat de onderhandelingen nog maar net zijn begonnen.

Vooralsnog lijken de biotechconglomeraten hun genen en technieken breed te willen verhandelen. Vorig jaar zijn een gepatenteerde soja van Monsanto en een gepatenteerde maïs van Novartis op de Europese markt gekomen. De bacteriegenen waarmee deze gewassen genetisch zijn veranderd, worden momenteel door tientallen bedrijven en instituten in allerlei gewassen gezet, van aardbeien tot aardappelen. De biotechbedrijven vechten dus onderling wel over octrooien, maar tegelijkertijd werken ze op vele fronten samen.

Ook de boeren komen door de komst van de biotechconglomeraten in een nieuwe situatie terecht. Pluspunt is dat er geld wordt gestoken in een nieuw en (naar het zich laat aanzien) krachtig instrument om de veredeling te ondersteunen, de biotechnologie. Maar het inbouwen van een aantal schimmelresistentiegenen in een suikerbiet, ergens ver weg in een Amerikaans laboratorium, levert nog geen sterk ras voor de boer in Zeeland, die met een unieke bodem en een unieke ziektedruk te maken heeft. De kwaliteit van een ras wordt voor een belangrijk deel bepaald door de mate waarin een ras is aangepast aan de lokale omstandigheden. Het aanpassen van een ras via kruising en selectie gebeurt in lokaal opererende teststations. Ruwweg geldt: hoe meer teststations, hoe beter de rassen voor de boeren zullen zijn.

Een rondje bellen onder dochterbedrijven in Nederland leert dat door de overnames en fusies het aantal teststations niet is afgenomen. “Bij ons is geen enkel teststation opgeheven”, verzekert Thomas Kramer, biotechnoloog bij een afdeling van Seminis Vegetable Seeds in Wageningen. “We hebben in de wereld meer dan veertig teststations. En de trend is juist dat het aantal veredelingsstations groter wordt. Zeker voor groenterassen heb je te maken met lokale markten, die ieder hun eigen eisen stellen.”

Niet minder teststations dus. Toch is een aantal kritische maatschappelijke groeperingen niet gelukkig met de grotere rol van biotechconglomeraten. “Al hadden ze samen 100.000 teststations”, pareert Anna-Rosa Martinez van de Europese actiegroep GRAIN in Barcelona. “Daarmee krijg je nog niet de rassen die optimaal zijn aangepast aan al die miljoenen verschillende velden waarop boeren werken.”

GRAIN wil dat de boeren, indien gewenst, weer een rol kunnen krijgen in het selecteren van zaden. Deze zaden zijn dan gegarandeerd goed aangepast aan de lokale eisen. In feite zet de zaadwereld nu juist een stap in de tegenovergestelde richting. De boeren mogen de zaden van de gemodificeerde gewassen niet houden voor een volgende oogst, want deze zaden zijn gepatenteerd. Dat boeren zelf zaden selecteren, wordt zo dus uitgesloten.

Wat critici ook dwars zit, is dat de Westerse wereld miljarden dollars in de plantenbiotechnologie steekt, terwijl dat geld ook kan gaan naar het versterken van de kennis van boeren. “Biotechnologie wordt te veel gezien als de enige weg om de landbouw vooruit te helpen”, zegt Martinez. “De plant wordt gezien als machine. Maar je kunt ook uitgaan van de complexiteit van de natuurlijke omgeving. Dan kom je tot heel andere prioriteiten. Dan zal ook blijken dat biotechnologie helemaal niet nodig is om de productie te verbeteren.”

Enkele zaadbedrijven spelen in op de wens om ook andere richtingen in te slaan met landbouwontwikkeling. Rijk Zwaan en Enza investeren in biotechnologie, maar ontwikkelen sinds kort ook speciaal zaden voor ecologische boeren. Volgens de eisen van deze sector mogen geen genetische manipulatie, geen bestrijdingsmiddelen en geen kunstmest worden gebruikt. “Er komt een zekere maatschappelijke weerstand tegen de biotechnologie”, verwacht directeur Tax. “We denken daarom dat de ecologische landbouw zo'n tien procent van de markt gaat krijgen. Maar dat is niet de enige reden om ook in deze markt te investeren. We hebben er ook persoonlijk sympathie voor.”