Emoties, ideologie en realisme

Wat zijn Nederlandse tijdgenoten denken van Joop den Uyl, wiens sterfdag, tien jaar geleden, nu herdacht wordt, weten we langzamerhand. Vrijdag kwamen, op een congres aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, enkele ministers uit het kabinet-Den Uyl (1973-1977) nog eens getuigenis afleggen over deze nog altijd controversiële figuur: Van Agt, Boersma en Van Kemenade.

Maar hoe dachten zijn buitenlandse tijdgenoten over hem, in de eerste plaats zij die hij periodiek in de Europese Raad ontmoette? Hoe dachten Leo Tindemans, Willy Brandt, Helmut Schmidt, Giscard d'Estaing, Edward Heath, Jim Callaghan over hem? Of mannen als François Mitterrand en Olof Palme?

Dat weten we niet, maar die wetenschap zou wèl het beeld voltooien van de politicus die in Nederland door voor- en tegenstanders als een belangrijk man wordt beschouwd. Op z'n hoogst weten we dat Tindemans en hij niet met elkaar overweg konden (maar dat gebeurt wel meer tussen Nederlandse en Belgische premiers) en dat Helmut Schmidt ostentatief de krant ging lezen wanneer Den Uyl in de Europese Raad aan het woord was.

Op dat Nijmeegse congres kwamen de buitenlands-politieke ideeën van Den Uyl niet ter sprake. Het thema vormden zijn ideeën over de verdeling van kennis, macht en inkomen, en de vraag in hoeverre hij die had kunnen verwezenlijken. Pas in het tweegesprek tussen Ed van Thijn, die ten tijde van het kabinet-Den Uyl fractieleider van de PvdA was geweest, en Bolkestein kwam de buitenlandse politiek zo nu en dan om de hoek kijken.

Toch trad het kabinet-Den Uyl ook op het wereldtoneel met vrij veel fanfare op. In zijn rede voor de Verenigde Naties zei minister Van der Stoel in september: “Een van de belangrijkste veranderingen die Nederland heeft ondergaan, is dat de generatie die bewust de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt, is opgevolgd door een nieuwe generatie, die jarenlang met het probleem-Vietnam heeft geleefd.”

Deze generatie, aldus Van der Stoel, “geeft aan versterking van de vrede de hoogste prioriteit. Deze opvatting heeft de Nederlandse regering tot de hare gemaakt.” Hij noemde dat 'actieve vredespolitiek'. Maar daarna volgde de klassieke trits: Europese eenheid, Atlantische samenwerking en ontwikkelingssamenwerking.

Was het dus alleen maar fanfare? Niet helemaal, want voor het eerst ontbrak een verwijzing naar de Russische dreiging. Als 'primaire doelstelling' van de NAVO werd het streven naar vrede en veiligheid gezien. Daarin kwam de druk van Nieuw Links tot uiting, waarvan Van der Stoel spoedig de voortdurende tegenwerking moest ondervinden. Volledige steun kreeg hij eigenlijk alleen maar van de oppositionele VVD, wat zijn populariteit in de partij niet vergrootte.

Maar Den Uyl heeft Van der Stoel gedekt tegen kritiek en dolkstoten uit eigen kring. Hoe hijzelf erover dacht is minder duidelijk. Enerzijds behoorde hij, met Van der Stoel, tot de overlevenden van de oude garde, die anticommunistisch was; anderzijds sprak hij ook hier, ter wille van de eenheid in de partij, de nieuw-linkse rebellen vaak naar de mond. En misschien was zijn hart ook wel aan hun kant.

Een mooi voorbeeld hiervan: in een interview met Vrij Nederland gaf hij hoog en uitvoerig op van Jan Pronk, de lieveling van die rebellen, terwijl er voor Van der Stoel niet meer af kon dan: je kunt zeggen wat je wilt van Max van der Stoel, maar... Een uiterst zuinig compliment. Of hij dit ter wille van de linkse galerij deed dan wel in zijn hart ook meer met Pronk op had - dat is nog niet helemaal duidelijk.

Op één punt brak het kabinet-Den Uyl met het verleden. In Keerpunt '72, het verkiezingsprogramma van de drie progressieve partijen (PvdA, D66 en PPR) die een jaar later de kern van het kabinet-Den Uyl zouden vormen, stond: “Het streven naar een grotere eenheid van Europa [...] dient ondergeschikt te zijn aan de verwezenlijking van een progressief beleid [...].” (Merkwaardig, achteraf, dat Van Mierlo dit onderschreven heeft.)

Dit was in afwijking van het beleid van vorige kabinetten, die hun steun aan de Europese eenheid niet afhankelijk hadden gemaakt aan het soort beleid dat het ene Europa zou voeren. Maar Den Uyl was het ernst, want hij was nauwelijks minister-president of hij verklaarde in oktober 1973 “dat de vraag wat voor soort samenleving wij in de (Europese) Gemeenschap tot stand willen brengen, belangrijker is dan het tempo waarin het proces van Europese eenwording zich voltrekt”.

Ed van Thijn gaf daar een verdere uitleg aan door op 1 mei 1974 te verklaren dat het niet om Europa wegens Europa ging, maar om de vraag of in Europa socialistische politiek kan worden gevoerd, terwijl Pronk een dag later zei: “Ten aanzien van het EEG-ontwikkelingsbeleid voert de regering een beleid dat totaal onafhankelijk is van alle andere landen.”

Ook Van der Stoel, die eerder atlanticus dan 'Europeaan' was, was het daar niet principieel mee oneens. Op 29 november 1973 - het waren de dagen van de Arabische olieboycot, waarin Nederland weinig steun ondervond van zijn Europese partners - zei hij in de Tweede Kamer dat, als het om “fundamentele en principiële verschilpunten gaat, Nederland zich niet als een gewillig lam neerlegt bij de meerderheid van de Negen” (de Europese Gemeenschap bestond toen nog uit negen leden).

De ervaring van de volgende jaren zou zulke uitspraken minder boud maken. In 1978, een jaar na zijn aftreden, schreef Den Uyl dat het streven van de PvdA erop gericht moet zijn “een uitholling van nationale ordeningsinstrumenten te voorkomen en deze alleen in te ruilen voor democratisch gecontroleerde Europese bevoegdheden”. Dat was dus een enigszins andere prioriteit dan die van Keerpunt '72.

Maar, schreef hij ook, “daarbovenuit gaat het belang van de integratie van Duitsland in Europa”. Dat is “van een zodanige draagwijdte dat socialistische partijen [...] zich met alle kracht aan de vormgeving van Europese politiek hebben te wijden.” Hieruit zou opgemaakt kunnen worden dat dit politieke belang voor hem boven alle andere belangen, dus ook boven socialistische stokpaardjes, prevaleerde.

En uit een opmerking die hij als minister-president in een interview met Le Monde maakte, n.l. dat Engeland nodig was om binnen de Europese Gemeenschap het evenwicht te handhaven, zou geconcludeerd kunnen worden dat hij in wezen niet anders dacht dan alle Nederlandse bewindslieden sinds de zeventiende eeuw gedacht hadden. Hier geen vernieuwer dus, maar eerder traditionalist.

Was de rest dan slechts retoriek, culminerend in zijn filippica tegen het regime van Franco vanaf het dak van een bestelbusje? Nee, ook dat was gemeend. Eerder kan gezegd worden dat zijn denken over buitenlandse politiek zich nooit gekristalliseerd heeft tot één conceptie en hij daarom bleef schommelen tussen emoties, ideologie en Realpolitik of tussen tactiek en strategie, met het gevolg dat hij in de kruisrakettencrisis van de jaren '80, ondanks bedenkingen, vastberadenere - en jongere - krachten als Max van den Berg, Maarten van Traa en Mient Jan Faber geen partij kon geven.