Belang van het kind moet voorop staan in gezinsbeleid

Voor kinderen is steeds minder ruimte: geparkeerde auto's, pornowinkels, aanstootgevende posters in bushokjes, televisieprogramma's met geweld, en coffeeshops bij scholen. Jaap de Hoop Scheffer vraagt daarom aandacht voor de natuurlijke omgeving van het kind: het gezin.

Het gezin is een 'electoraal goudmijntje', aldus Peter Cuyvers in deze krant (3 januari). Wanneer het thema gezin een 'familistische' invulling krijgt, liggen er minstens tien zetels in het verschiet. Hij maant in zijn stuk de grote politieke partijen - in het bijzonder zijn eigen PvdA - deze goudader vlug aan te boren en voegt dreigend toe dat het CDA al een heel stuk op de goede weg is.

Cuyvers heeft daarmee onder woorden gebracht wat de paarse partijen al langer beseffen. Het lachen dat in de Kamer opklonk toen Enneus Heerma drie jaar geleden over het gezin begon is verstomd. Sprak minister Sorgdrager aanvankelijk alleen over de 'primaire leefeenheid', inmiddels neemt ook zij het woord gezin veelvuldig in de mond.

Dat zij en vertegenwoordigers van de andere paarse partijen er om ideologische redenen niet goed mee uit de voeten kunnen, is echter duidelijk. Cuyvers schat goed in dat het paarse flirten met het gezin uit zuiver electorale motieven onverminderd zal worden voortgezet. Hij beveelt het zelfs aan. Maar het wordt tijd dat het politieke debat over gezinsbeleid aan diepte wint. Overtuigende inhoudelijke redenen voor een goed gezinsbeleid trof ik in Cuyvers' artikel nauwelijks aan.

De prioriteit voor gezinsbeleid binnen het CDA is voortgekomen uit de serieuze vraag wat voor samenleving we in Nederland willen. De kwaliteit van die samenleving die bepaald wordt rond onderwerpen als veiligheid, onderwijs, gezondheidszorg en armoede staat hoog op de politieke agenda. Steeds meer mensen vragen zich af of het goed gaat, zoals het nu gaat: geweld op straat, uitval in het onderwijs, wachtlijsten in de gezondheidszorg en steeds minder tijd en oog voor elkaar.

De toekomst van de samenleving wordt bepaald door de jongere generatie van nu. Vorm geven aan die samenleving begint dus op de plek waar die jongeren primair gevormd worden: het gezin. Begin-, middel- en hoofdpunt van het gezins- en familiebeleid is daarom het belang van het kind.

Maar voor kinderen is steeds minder ruimte. Meer geparkeerde auto's, pornowinkels in het centrum, aanstootgevende posters in bushokjes, televisieprogramma's met een overdaad aan geweld of seks op te vroege tijdstippen, coffeeshops in de buurt van scholen en dealers en drugsgebruikers in wijken. De gedoogcultuur is een cultuur van volwassenen, maar de gevolgen raken ook kinderen. De straat biedt de jongere geen duidelijkheid over wat wel en niet kan. Durven we nog grenzen te trekken of moet alles maar kunnen?

Ook in relaties is er steeds minder ruimte voor kinderen. Het krijgen van kinderen wordt door carrière en te flexibele arbeidscontracten vaak lang uitgesteld. En wanneer er wel kinderen zijn, moeten ze vanwege de beperkte mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren te veel dagen naar het dagverblijf en naar de buitenschoolse opvang. De ouders hebben het druk, druk, druk. En dan valt ook nog één op de drie huwelijken in Nederland uit elkaar. Per dag worden er gemiddeld 45 echtscheidingen uitgesproken waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn - de ongeveer 40.000 beëindigingen van samenwoonrelaties niet meegeteld. Ik vind dat onrustbarend en ik durf de stelling aan dat dit gegeven onder andere te verklaren is uit het laten prevaleren van het belang van de ouders boven dat van de kinderen. Dat moet veranderen.

Cuyvers doet het nu voorkomen alsof het CDA het gezin aan zijn lot overlaat: het idealiseert het en is afkerig van ingrijpen. Deze kritiek is niet steekhoudend. Ouders moeten natuurlijk de vrijheid hebben hun kinderen zo op te voeden als hun goeddunkt. Een te grote bemoeienis van de overheid is niet goed. Maar dat neemt niet weg dat de opvoeding van kinderen niet volledig een privé-zaak is. De overheid moet ervan uitgaan dat ouders zelf gewetensvol een behoorlijk stuk van de opvoeding voor hun rekening nemen, maar onmisbaar zijn hun plichten ten aanzien van kinderen. Kinderen moeten in het gezin kunnen ervaren wat liefde en geborgenheid is en hun moet geleerd worden dat zij zich binnen en buiten het gezin aan bepaalde normen moeten houden. Het is een misverstand dat kinderen gediend zijn met zoveel mogelijk 'zelfbeschikking'.

Een samenleving die niet duidelijk is over de normen die gelden, laat ouders en kinderen dan ook 'zwemmen'. Publieke ruimte en instellingen moeten nadrukkelijk opvoedingsondersteunend zijn. Daaraan valt nog veel te verbeteren. Zo wordt in het onderwijs veel geklaagd over de mate waarin ouders de verantwoordelijkheid voor de opvoeding naar de school afschuiven. Scholen moeten ouders daarop dwingend kunnen aanspreken. Andersom mogen ouders van de school duidelijkheid verwachten over welke waarden en normen daar uitgedragen en gehandhaafd worden.

De taakverdeling tussen school en ouders is dringend aan verheldering toe. Scholen kunnen niet worden belast met het bijna volledig opvoeden van de kinderen. Met de huidige klassengrootte is dat ook onmogelijk.

Ten onrechte schrijft Cuyvers ook dat het CDA-verkiezingsprogramma voor een pakket voorstellen kiest dat bij de andere partijen emancipatiebeleid heet. Dit betreft waarschijnlijk de voorstellen voor de verdeling van arbeid en zorg. Door de paarse partijen wordt dat debat vooral gevoerd ten behoeve van de economische zelfstandigheid van de vrouw. Maar ook de draagkracht en daarmee de positie van het gezin zijn in het geding. Rondom financiële maatregelen die het mogelijk maken om langere tijd de opvoeding voor een groot deel in eigen handen te nemen is een zweem van ouderwetsheid en illegitimiteit komen te hangen. In wezen wordt het beleid gedomineerd door een opvatting van emancipatiebeleid, waarin het maatschappelijk belang van zorg niet erkend is.

Ik zal de laatste zijn om te ontkennen dat emancipatie van de vrouw nodig is en blijft. Maar dat emancipatie gelijkstaat aan maximale participatie via betaald werk plus de geboden mogelijkheid van kinderopvang is wel heel erg beperkt. In het verkiezingsprogram van het CDA wordt - en dat doet geen enkele andere partij - een poging gedaan om het belang van het kind en de verantwoordelijkheid van de ouders in de werk/zorg-discussie een rol te geven.

Het belang van het kind is dat het zich moet kunnen hechten aan een beperkt aantal personen. Door gehechtheid voelt een kind zich veilig, ontwikkelt het kind vertrouwen in de ander en krijgt het zelfvertrouwen. In vergelijking met leeftijdgenootjes die een minder stabiele basis hebben blijken kinderen uit evenwichtige gezinssituaties beter tegen frustraties opgewassen te zijn. Zij hebben een hogere zelfwaardering en zijn sociaal vaardiger. In de eerste levensfase wordt de basis gelegd voor een gevoel van veiligheid en geborgenheid, waar het kind het de rest van zijn leven mee moet doen. Dat betekent dat er zeker met jonge kinderen uiterst zorgvuldig omgesprongen moet worden.

Ouders moeten voldoende tijd en aandacht aan het kind besteden. Voor ouders die zich willen wijden aan hun kinderen en stoppen met werken moet dan ook een financiële voorziening als de overheveling van de basisaftrek in stand blijven. En voor ouders die kortere of langere tijd minder willen werken is de in voorbereiding zijnde kaderregeling van belang, die voorziet in een zodanig wettelijk recht op deeltijdarbeid en zorgverlof, dat de belangen van werkgever en werknemer op een evenwichtige en rechtvaardige manier worden gediend.

De overheid mag best morele signalen geven: duidelijk maken dat een investering in - het liefst - de eerste achttien maanden van het leven van een kind voor 'het hechten' van groot belang is. Dit kan door verlenging van de ouderschapsverloven wanneer deze in het eerste jaar worden opgenomen, of door een recht op terugkeer bij uittreding gedurende een aantal jaren.

Gezinsbeleid is onderdeel van een noodzakelijke investering in de kwaliteit van de samenleving. Dat vergt een consistente visie en een lange adem. Electorale overwegingen zijn een veel te mager motief en zullen alleen tot teleurstellingen leiden, niet in de laatste plaats bij de kiezers.