Alledaagsheid balanceert op de rand van abstractie

Tentoonstelling: Jan Roeland. Schilderijen 1967-1997. T/m 8 feb. De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. Di t/m za 10-17u. za en zo 13-17u. Monografie ƒ 85,- Schilderijen van Jan Roeland zijn ook, t/m 14 feb., te zien bij galerie Espace, Keizersgracht 548, Amsterdam. Wo t/m za 13-17u.

Zowel op zijn overzichtstentoonstelling, nu in De Beyerd in Breda, als in een onlangs verschenen monografie begint het schildersbestaan van Jan Roeland (1935) met drie schilderijen: Ei in fles, Twee doosjes en Enveloppe. Het eindigt voorlopig met Compositie met twee planten. Tussen deze thema's in zou je tafels, messen, hamers en ook zijn recente neus- en brilonderwerp kunnen voegen. Zijn onderwerpen komen en gaan per periode - als stukjes kauwgum, waarop net zolang is doorgekauwd tot de smaak er bijna uit is verdwenen. Jan Roeland is ondanks een indrukwekkende tentoonstellingslijst - van Guggenheim museum in New York tot Stedelijk Museum in Amsterdam - altijd een wat raadselachtig figuur op de achtergrond gebleven.

Ondanks Roelands ver doorgevoerde abstracties, zet hij net niet dat kleine stapje naar het voorstellingsloze, alsof hij met Espace, zijn Amsterdamse galerie waar waarschijnlijk nog nooit een volledig voorstellingsloos werk aan de wand heeft gehangen, een bepaalde verplichting is aangegaan.

De ruim zeventig kleurenreproducties in de mooi vormgegeven monografie - Roeland is de vijftiende Nederlandse kunstenaar in een door het Prins Bernhardfonds geïnitieerde reeks, nu met teksten van Elly Stegeman, K. Schippers en Anna Tilroe - zijn slechts een zwakke afspiegeling van de schilderijen in werkelijkheid, zo blijkt op de Bredase tentoonstelling, die later doorreist naar het Rijksmuseum Twenthe en het Stedelijk Museum Schiedam.

Een schilderij is bij Roeland een plat doek met een laagje illusie en niet een nieuw stuk werkelijkheid. Niet alleen in zijn sterke, bijna tot elementaire vlakken teruggebrachte geometrische vormen, maar ook in zijn zorgvuldig opgebouwde kleurvlakken toont hij zich een conventioneel schilder die het oproepen van een stemming tot in de puntjes beheerst.

Net als Hitchcock is Roeland een meester in het oproepen van tamelijk naargeestige stemmingen. Er wordt van alles gesuggereerd, zonder dat er een aanwijsbare reden voor is. Een mooi voorbeeld zijn de recente doeken Neus en bril, die even geestig als macaber zijn. Op een van die versies is de voorstelling precies binnen de maat van 40 centimeter bij twee meter weergegeven, waardoor de suggestie wordt gewekt alsof de neus met bril door de achteruitkijkspiegel in een auto kijkt. De mafia-model zonnebril, zo een die half de hoek omgaat richting oren, is helemaal platgewalst weergegeven. Alleen de schaduwranden langs het neusje geven enige suggestie van ruimtelijkheid.

In de keuze van zijn onderwerpen zoekt Roeland het meestal niet ver van huis. Zijn doeken wekken de indruk dat er iets verborgen moet worden gehouden. Dat verbergen zit niet alleen in de keuze van de onderwerpen - dozen en enveloppen - maar vooral in de manier waarop hij de dingen weet te ontdoen van elk gevoel van maat en verhoudingen zodat ze schaalloos zijn geworden. Iets vergelijkbaars is aan de hand met zijn kleurgebruik: ook hierin balanceert hij op de rand van abstractie, maar toch blijft altijd een band met de werkelijkheid bestaan. Het zijn kleuren die de lichtinval van een herfstige middag weergeven.

Natuurlijk, er zijn allerlei invloeden en overeenkomsten met andere schilders aan te geven, maar toch heeft Roeland een volstrekt eigen stijl, al laat zijn oeuvre zich goed passen in de reeks monografieën zoals Edgar Fernhout, Jan Schoonhoven, Klaas Gubbels en vooral Ben Akkerman. Als om zijn magie te beschermen heeft Roeland op de expositie in Breda en in het boek alle schepen die hem voerden naar zijn eerste doeken, achter zich verbrand. Ook tekeningen, die ongetwijfeld tot een beter begrip van zijn geschilderde werk bijdragen en die zeker bestaan, ontbreken in Breda. Zelfs op de plaats waar je in de monografie enkele biografische gegevens verwacht, zien we slechts twee getekende letters van zijn monogram: een simpele 'j' - zonder punt - en een even simpele 'r'. Ze liggen als twee takjes in de sneeuw.

Daar waar Mondriaan de appelboom verliet en het hogere vond in de abstractie, haalt Roeland de abstractie uit de banale werkelijkheid en schildert die zo ernstig mogelijk. Dat geeft zijn poëzie een geestige ondertoon.