Transport

“Morgen om zeven uur: transport.”

Macabere woorden. Voor velen nog niet zolang geleden het begin van hun laatste tocht. Als ik er iets van zeg, haalt de bewaker zijn schouders op.

“Transport is transport, zo wordt het al tien jaar genoemd, zolang ik hier werk.”

Ik laat het erbij. Hier is geen kruid tegen gewassen: het is dezelfde botheid als bij dat andere onheilspellende woord waarmee ze je voor het werk komen halen:

“Arbeid.” Je ziet de lijken in de greppels liggen.

Het is elf uur en ik probeer nog wat te slapen. Maar als je de volgende dag je straf moet halen, heb je wel wat anders aan je hoofd en ik doe de hele nacht geen oog dicht.

Om half zeven uur mag ik douchen, het trieste voorrecht van de strafhaler, maar het moet wel snel en meer dan vijf minuten krijg ik niet. Om zeven uur word ik naar een getralied busje gebracht en samen met drie andere strafhalers naar de rechtbank in Amsterdam gevoerd.

De sfeer is gespannen en de gezichten staan bedrukt. Binnen een paar minuten zullen we weten hoeveel jaar we nog moeten; daar wordt niemand vrolijk van. Vooral de Chinees, die ze uit voorzorg al in de glazen kooi in het midden hebben gezet, heeft het moeilijk. Twee weken geleden is er maar liefst tien jaar tegen hem geëist en dit zou voor een lange tijd wel eens zijn laatste tocht door de vrijheid kunnen zijn. De hele rit schreeuwt en bonkt hij op het glas en soms maakt hij met zijn hand een wanhopige tien. Vergeleken met hem ben ik met mijn twaalf maanden maar een kleine jongen.

Ook in de kelders onder de rechtbank heerst een grimmige sfeer. Luid protesterende eis- en strafhalers worden af- en aangevoerd, overal wordt geschreeuwd, gevloekt en op de deuren gebonkt, en een zwarte die het niet eens is met zijn straf wordt met harde hand door vier bewakers een cel ingesleurd.

Haastig worden wij afgevoerd, de Chinees gaat apart en wij worden met zijn drieën bij elkaar gezet. Het is een piepkleine cel en de enige luxe is een kale, uitgesleten plank die zo klein is dat een van ons moet blijven staan.

Een tijdje praten we honderduit, maar gaandeweg wordt het minder en uiteindelijk vallen we stil. Onze enige afleiding is het geschreeuw uit de andere cellen en de wanhoopsteksten op de muren.

'Twaalf jaar, S.D. Hilversum, MOORD!!'

'Ik ben onschuldig, Hans B.'

'Liever mijn zuster als hoer dan een smeris als broer.'

'De tering voor iedereen, R.F., 1995'

'Doe mijn broer de groeten Achmed, zit in de Bijlmer'

'Karin, ik hou van je, Vincent, 5 jaar'

Het is tijd om te wisselen. Een plankzitter geeft me zijn plaats. Uitgeput plof ik neer. Het lange wachten is begonnen.