Technische studies (2)

Ir. Rob Knoppert geeft uiting aan zijn verbazing over “een reuzenzwaai in (de) opinie” van de Technische Universiteiten wat betreft de toelating van VWO-abiturïenten met het profiel Natuur en Gezondheid tot de technische studierichtingen (7 januari) .

In de eerste plaats is die zwaai niet zo reusachtig als het lijkt. Aanvankelijk werd gedacht dat de verschillen tussen dat profiel en het profiel Natuur en Techniek veel groter zouden uitvallen dan ze nu blijken te zijn. De grote, vrij in te vullen ruimte maakt het zonder meer mogelijk die zo in te vullen dat van tekortkomingen bij het betreden van de Technische Universiteit geen sprake behoeft te zijn. Anderzijds is het het uitdrukkelijk voornemen van althans onze universiteit, de TU-Eindhoven, eventuele essentiële deficiënties in de vooropleiding door speciale cursussen te repareren.

Met ir. Knoppert zijn wij van mening dat een deel van de 80 miljoen die beschikbaar lijkt te komen voor de bevordering van de belangstelling voor technische en bètastudies gebruikt zou kunnen worden voor betere kennismaking met techniek. Of dat moet door de ontwikkeling van een schoolvak techniek in het VWO betwijfel ik.

Zijn pleidooi voor het uittrekken van geld voor kennismaking met de industrie onderschrijven wij volledig. Maar is het hem ook bekend dat onze faculteit, en die zeker niet alleen, een speciaal ingericht ontvangstcentrum heeft voor leerlingen van het VWO, waar zij kennis kunnen maken met installaties en opstellingen die interessante en boeiende verschijnselen illustreren? En dat is nu juist omdat scholen dat niet kunnen betalen! Uit de reactie van minister Ritzen (12 januari) blijkt ook dat de minister het hier hartelijk mee eens is en wel ten dele uit eigen ervaring.

Minder enthousiast ben ik over de spontane instemming van de minister met de stelling van Knoppert dat de Technische Universiteiten met de versoepelde toelating ook de zwaarte van de studieprogramma's zouden moeten aanpassen.

Het probleem van de te geringe belangstelling van jongeren voor bèta- en technische studies wordt zeker niet opgelost door alleen het aantal te vergroten via een makkelijker studie. Het verschijnsel waar wij mee zitten is dat een steeds kleinere fractie van de op zichzelf geschikte aanstaande studenten daadwerkelijk voor zo'n studie kiest. Wij zitten met het probleem dat wij kennelijk aan aantrekkelijkheid inboeten bij de geschikten.

Voor degenen die de studie kiezen is de propedeuse de toetssteen die bepaalt of zij er werkelijk de juiste talenten voor hebben. Het zou de functie van de propedeuse ontkennen als de eis werd gesteld dat alleen zij die aan de formele eisen van toelating voldoen ook daarvoor moeten slagen, om dan bij onverhoopt niet slagen de universiteit verantwoordelijk te stellen.

Juist in de bèta- en technische vakken worden de eindtermen van de opleiding niet zomaar lokaal vastgesteld, maar in hoofdzaak door wat internationaal gebruikelijk is. Aan de roep om een minder eenzijdige opzet van het programma hebben wij allang voldaan in het kader van het vijfjarige studieprogramma, met behoud van het eindniveau.