Pollini in gesprek met de 19de eeuw

Concert: Maurizio Pollini, piano. Muziek van Schumann en Chopin. Gehoord: 18/1 Concertgebouw Amsterdam.

Meesterpianist Maurizio Pollini geeft de vleugel twee ferme handdrukken en begint een geanimeerde conversatie. Of hij nu muziek speelt van Beethoven, van Boulez, van Stravinsky, of, zoals tijdens zijn enige Nederlandse optreden van dit seizoen, van Schumann en Chopin - in de spontane verwondering die Pollini telkens opnieuw weet voor te spiegelen, wekt hij de suggestie dat de conversatie nog geheel openligt. Het tegendeel is natuurlijk waar, al is de associatie illustratief voor Pollini's gevoel voor muzikale eloquentie. Voor zijn geslepen vormbesef eveneens.

Pollini is een lumineus vertolker van hedendaagse klaviermuziek. Toch lijkt hij in toenemende mate negentiende-eeuwse componisten op het repertoire te nemen. Maar romantici schijnen voor Pollini modernisten te zijn die toevallig in een ander heden leefden.

Van Schumann speelde Pollini de Davidbündelertänze en het 'Concert zonder orkest', de Sonate opus 14. Door juist even die ene noot te accentueren die volgens de klassieke harmonieleer niet gepast is, maakt Pollini van Schumann een nieuwlichter, een geestverwant van Debussy, die hij tijdens het recital in 1995 zo fascinerend vertolkte. Tegelijkertijd is Schumann bij Pollini ook die negentiende-eeuwer die in rappe akkoordopvolgingen nog eindeloos lijkt te willen zwierdansen in een licht benevelde toestand, dromend onderwijl van Bach en Beethoven.

Veel van Schumanns pianomuziek kan op dezelfde hoogte geplaatst worden als die van Chopin, waarvan Pollini nocturnes, ballades en de Berceuse op. 57 speelde. In de zich steeds maar herhalende pendelbeweging tussen tonica en dominant van de Berceuse stapelt hij delicate fiorituren en laat hij zijn vingers onbekommerd loslopen. Zelden hoorde ik de Vierde ballade met de vele dubbelnoot-passages en het energieke coda zo evenwichtig geproportioneerd en tegelijkertijd zo tomeloos gepassioneerd.

Contrasten in kleur, in tempo, in karakter geven de vertolkingen van de deze maand 56 jaar geworden meesterpianist een fascinerende dieptewerking. Meer dan twintig jaar geleden al schreef J. Reichenfeld voor deze krant dat zelfs het grenzeloze perspectief bij hem klaar gestructureerd en gefundeerd blijft, 'waarbij Pollini kans ziet de hartstocht van de expressie toe te laten nemen naarmate de klanksterkte afebt tot een fluisterend pianissimo.' Nog altijd is Pollini de meest muzische retoricus onder de pianisten.