Leed van Kantsjeli nadert het paradijs

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Dennis Russell Davies. Werken van Keuris, Stravinsky en Kantsjeli. Gehoord 16/1 Concertgebouw Amsterdam.

“Kennen Sie eine lustige Musik? Ich nicht!” is een typerende uitspraak van Schubert, die vele liederen schreef op teksten over dood, sterven en het graf. Tot die categorie behoort in onze tijd de Georgische componist Giya Kantsjeli, wiens Trauerfarbenes Land (1994) voor groot orkest zijn Nederlandse première beleefde bij het Concertgebouworkest. Vanaf het begin van de jaren '80, na Bartók-achtige muziek geschreven te hebben, ontwikkelde Kantsjeli een ritualistisch-spirituele muziek op de rand van het niets, op zoek naar de eenzame klank in een gloeiend innerlijk licht, gedragen door emoties als treurnis, afscheid en dood.

Volgens Kantsjeli veranderen zijn gevoelens, nu hij in Duitsland werkt, onwillekeurig in een 'land gekleurd door verdriet' en Schubertiaans laat hij er op volgen: “Bestáát er eigenlijk wel een 'land met de kleur van vreugde'?”

Trauerfarbenes Land begint even onstuimig als de Movements van Tristan Keuris of de Symfonie in drie delen van Stravinsky, die voor de pauze werden uitgevoerd. Maar daarmee houdt ook elke vergelijking op. Een verlegen pianomuziekje zet in, een ontstemde piano zou nog beter zijn geweest, zoals Schnittke die graag binnen een catastrofale context sfeerbepalend laat zijn. Het zijn niet meer dan scherfjes geluk, een paar begeleidingsfiguren, een stokkende triller, een weerloze ocarino: allemaal angstig gepiep, voorbestemd om te worden vermorzeld.

Uiterlijk lijkt deze muziek te verwijzen naar de ééntoonscomposities van Giacinto Scelsi. Maar waar de Italiaan in een uiterste discipline de essentie in één enkele toon weet te vatten - hij liet zijn improvisaties door anderen uitwerken opdat het idee gaaf zou blijven, waar hij er zelf te veel aan zou veranderen - heerst bij Kantsjeli wel degelijk de grote, zij het gebroken lijn.

Kantsjeli is de Russische Leiermann uit Schuberts Winterreise. Eenzamer muziek is nauwelijks denkbaar en daar verandert het citeren van de moedgevende Psalm 90 (Gij zijt onze toevlucht) nauwelijks iets aan. Soms leunt hij tegen de edelkitsch en iets over de helft krijg je enige malen de neiging om bij een pauze te overdenken: dit zou een geschikt moment voor een slot kunnen zijn. Toen iemand eens aan Stravinsky vroeg of de lengte van Schuberts laatste symfonie hem niet deed inslapen, antwoordde hij: “So what, bij het ontwaken waan ik mij in het paradijs.” Over Trauerfarbenes Land zou je hetzelfde kunnen opmerken.

Stravinsky's Symfonie in drie delen (hij sprak zelf liever over 'Drie symfonische delen voor orkest'), werd door Dennis Russell Davies in de hoekdelen snel genomen, zij het meer onstuimig dan pittig. Aan het eerste deel kun je goed horen dat Stravinsky oorspronkelijk een ééndelig pianoconcert in de spetterende stijl van Bartóks Sonate voor twee piano's en slagwerk wilde schrijven. Dat kan bij mij niet stuk, ook als het meer daverend dan puntig klinkt.

Met Keuris heeft het orkest een uitstekende verhouding. Keuris nam veel van Stravinsky over, maar was veel minder geobsedeerd door een staccato-ideaal, dus hier kan de befaamde wollige Concertgebouw-akoestiek geen kwaad. Voor Georgische nostalgie is deze zelfs ronduit ideaal, geen wonder dat Kantsjeli zich dankbaar toonde.