Krokodillentranen

Niet bekend

Die hoerentranen zijn makkelijk te verklaren, maar vanwaar krokodillentranen? Is de krokodil een onoprechte jankepot?

Welnu, de krokodil stond vroeger bekend als een vals en huichelachtig dier. Men vertelde dat hij het geluid van een huilend kind nabootste om - verscholen in het riet - voorbijgangers te lokken en te doden. Volgens een andere volksoverlevering, die eveneens iedere grond mist, huilde de krokodil uit berouw nadat hij zijn slachtoffer had opgepeuzeld.

Waar komen deze verhalen nu vandaan? Een eerste aanwijzing is dat de uitdrukking in veel talen voorkomt. Zo spreken de Engelsen van crocodile tears, de Duitsers van Krokodilstränen en de Fransen van larmes de crocodile. Dat internationaal van oudsher eenzelfde uitdrukking wordt gebruikt, duidt er vaak op dat het om een zogenaamde leenvertaling gaat, doorgaans uit het Latijn. Meestal moet je de oorsprong dan in de Oudheid gaan zoeken.

Over de uitdrukking krokodillentranen bestaan drie belangrijke publicaties en nog wat klein grut. De Friese letterkundige G.A. Nauta boog zich er in 1894 over en zijn Vlaamse collega A. de Cock in 1896. De belangrijkste publicatie verscheen nog niet zo lang geleden, namelijk in 1986. Toen bracht de vooraanstaande classicus G.J.M. Bartelink in een oudheidkundig tijdschrift allerlei nieuwe feiten boven water. In de Nederlandse etymologische literatuur is zijn publicatie echter onopgemerkt gebleven, zodat je daar nog allerlei achterhaalde informatie leest.

Wat ontdekten deze navorsers nu? Nauta en De Cock stelden vast wanneer dit verhaal over wenende krokodillen voor het eerst in de Nederlandse literatuur opduikt. Dit blijkt bij Jacob van Maerlant te zijn, die omstreeks 1287 in Der Naturen Bloeme schrijft dat de cocodrillus de mens beweent “als et hem doot heeft ghebeten”. De uitdrukking zelf is in 1538 voor het eerst gevonden - in de vorm cocodrilsche tranen - in een leerboek over welsprekendheid van Matthys de Casteleyn, een geestelijke uit Oost-Vlaanderen. Vanaf de zeventiende eeuw regent het krokodillentranen, bij talloze schrijvers en dichters. Zo leven we bij Bredero:

Gaet heen geveynsde Kourtesane Begoghelt d'oogen, en het breyn: Met uwe krokediele tranen Van den verdwaesden Kapiteyn.

Bartelink zocht na op welke teksten uit de oudheid het verhaal over wenende krokodillen nu precies teruggaat. Hij ontdekte dat het bij veel schrijvers te vinden is, maar dat er nogal wat verschillen zijn over de vraag waarom krokodillen huilen.

De oudste versie van het verhaal dateert uit circa 400 n.Chr. en is gevonden in een tekst van bisschop Asterius van Amasea. Over de huichelarij bij het vasten schrijft deze bisschop: “Wat betekent voor jou de onthouding van spijzen anders dan het nadoen van de Nijlkrokodillen. Daarvan zeggen ze dat ze treuren over de hoofden van de mensen die ze hebben opgegeten. Ze storten tranen over hun gewelddadige dood, niet omdat ze berouw krijgen over het gebeurde (...), maar, dunkt me, omdat ze het jammer vinden dat er aan het hoofd zo weinig vlees zit en dat het dus niet geschikt is om op te eten.”

De krokodil veinst hier dus geen tranen, maar heeft oprecht verdriet omdat er aan een mensenhoofd zo weinig te peuzelen valt.

In andere versies hebben de tranen een meer praktische functie. Zo heet het in een van de vele bewerkingen van de Physiologus, een van oorsprong Grieks boek waarin de merkwaardige eigenschappen van dieren, planten en stenen in christelijke zin symbolisch worden verklaard: “Alleen het hoofd van de mens kan de krokodil vanwege de haren niet opeten. Hij laat er zijn blik over gaan en weent hete tranen. Daarmee bevochtigt hij het hoofd en dan kan hij het toch nog opeten.” In weer een andere bron uit de Oudheid heet het: “Als de krokodil het lichaam bijna helemaal opgegeten heeft, vergiet hij tranen op het nog resterende hoofd en als het hoofd door de warmte van de tranen de haren verloren heeft, eet hij dat ook nog op.”

Een slim beest dus, die krokodil, die zijn hete tranen goed weet te benutten!

Niet bekend