Dure rijst wekt volkswoede op Oost-Java

De economische crisis in Indonesië heeft ook het dorpje Pasrepan op Oost-Java niet onberoerd gelaten. De volkswoede keerde zich tegen een plotselinge prijsverhoging van rijst.

PASREPAN/BLITAR, 19 JAN. De minibus jakkert over de weg tussen het Oost-Javaanse havenstadje Pasuruan en Pasrepan, een dorp tegen de hellingen van de donkerblauwe Bromo-vulkaan. Veel van die bussen in Indonesië hebben een naam. Deze is net modieus omgedoopt tot 'Resesi', ofwel recesssie. De verwijzing naar de financiële crisis waarin het land is gedompeld, werkt ondanks alles op de lachspieren van de mensen in de bus, ook al ondervinden ze stuk voor stuk de gevolgen van de malaise.

Achmed, een 31-jarige bouwvakker die vrouw en kind moet onderhouden, is goed af. Hij heeft zijn baan nog op de bouwplaats in het nabije Surabaya, de hoofdstad van Oost-Java. “Maar vorige week heeft ons bedrijf zestig mensen moeten ontslaan. Vorige maand zelfs 120. Mij gaan ze misschien uitsturen naar bouwprojecten in de Filippijnen of Korea.”

Pasrepan is een rommelig lintdorp dat voornamelijk lijkt te bestaan uit tientallen winkels aan weerszijden van de sterk glooiende weg naar het van oudsher befaamde kuuroord Tosari.

Enige dagen geleden nog was Pasrepan het toneel van volkswoede gericht tegen een plotselinge prijsverhoging van de rijst. Voor zijn winkel zit bapak (meneer) Yusuf te kijken naar de landerige motortaxi's (ojeks) die nu, aan het eind van de dag, geen klanten meer hebben. De bejaarde Javaan, een zwart kalotje op zijn achterhoofd en blauwe staarkringen in zijn bruine irissen, wijst naar de verderop gelegen winkel van een Chinees. “Die Chinese winkeleigenaar vroeg ineens woekerprijzen voor zijn rijst. Iedereen werd plotseling woedend. Chinezen doen niets anders dan geld tellen terwijl ze pribumi, autochtone burgers, voor zich laten sloven.” Pak Yusuf vertelt hoe vervolgens de winkel van de Chinees door een menigte werd bekogeld met stenen. Iemand zou zelfs tevergeefs geprobeerd hebben zijn handel in brand te steken.

Het resultaat van deze gebeurtenissen is in ieder geval dat sindsdien de prijs van de rijst in Pasrepan voorlopig weer 'standaard' is: maximaal 1.600 roepia (ongeveer 40 cent) per kilo. Ordetroepen patrouilleren overdag in het dorp om herhaling te voorkomen.

Pasrepan staat niet op zichzelf. Vorige week braken in drie andere plaatsen op Oost-Java rellen uit als protest tegen hogere voedselprijzen. Daarbij gingen in Banyuwangi, Jember en Baluran winkels in vlammen op. In het regentschap Banyuwangi was het afgelopen zaterdagnacht weer onrustig.

In het altijd roerige Surabaya, met ongeveer vier miljoen inwoners de tweede stad van Indonesië, nemen de autoriteiten geen risico: daar zijn sinds vorige week op strategische punten soldaten te zien die moeten voorkomen dat de onrust overslaat van platteland naar stad.

Pagina 6: Veel mensen verlangen terug naar Soekarno

In Pasrepan weet Amin zeker dat de bevolking van Oost-Java geen nieuwe prijsstijgingen zal tolereren. Hij is een on-Javaanse verschijning, met zijn baard en zijn flaphoed lijkt hij nog het meest op een Indonesische uitvoering van A.M. de Jongs romanfiguur Flierefluiter. Amin is snoepventer. Met een soort viool trekt hij mensen om vervolgens zijn waar te slijten die hij op zijn buik draagt in een gedeukt, blauw geverfd blik. “Ik verkoop snoep in alle kampongs in de buurt van Pasrepan”, zegt Amin, “Voor zoiets hebben de mensen nog wel geld, want mijn snoepjes kosten niet meer dan 100 roepia per stuk. Maar hier in Oost-Java is het volk assertiever dan elders op Java. Als ze iets niet meer willen laten ze dat merken. Zeker nu iedereen opgefokt ('panas') is.”

In de bus genaamd Recessie lucht Ahmed, de bouwvakker, zijn woede over president Soeharto. “Hij leeft met zijn familie in weelde terwijl de kleine man getroffen wordt door de monetaire crisis. De meeste mensen verlangen terug naar Bung Karno, onze eerste president. Kijk naar zijn kinderen, die leven eenvoudig. Soekarno, dat was de Ratu Adil.” Ahmed verwijst naar de Javaanse legende, die na iedere periode van rampspoed de komst voorspelt van een rechtvaardige heerser. Deze sticht een nieuw rijk waar orde, welvaart en rechtvaardigheid heersen. Veel Javanen geloofden, dat Soekarno, die de republiek uitriep, de ratu adil was. Bovendien geloven veel mensen dat Bung Karno, zoals hij populair heet, nog immer voortleeft.

Dat geldt zeker in het slaperige stadje Blitar, zestig kilometer van Pasrepan, waar Soekarno zijn jeugdjaren doorbracht. Na zijn overlijden in 1970 werd zijn stoffelijk overschot begraven in Blitar. Negen jaar later liet president Soeharto alsnog een grafmonument bouwen voor zijn populaire voorganger en diens ouders.

In de straat op weg naar het monument is nauwelijks volk op de been. Bij het graf zelf zitten enige tientallen pelgrims te bidden en te mediteren.

Soewardiman is met een collega op de motor helemaal uit het honderd kilometer verderop gelegen Madioen naar hier gereisd. Het is zijn eerste keer dat hij in Blitar is, zegt Soewardiman. Waarom? “Omdat ik van Soekarno meer houd dan van de man die er nu zit.” Hij werkt samen met zijn collega op een suikerfabriek in Madioen. “Veel mensen bij ons maken zware tijden door”, zegt Soewardiman. “Er is nauwelijks bedrijvigheid en daarom veel werkloosheid.”

Een instant-fotograaf en een gids, die hun brood verdienen bij het monument, horen hem praten. Zij ondervinden ook hinder, zeggen zij. “Door de crisis geven de mensen hun geld liever uit aan rijst dan aan een reisje naar Bung Karno. Het gevolg is dat het aantal bezoekers hier enorm afneemt”, klaagt de fotograaf.

Dat geldt helemaal voor het ouderlijk huis van de eerste president, een paar straten verderop, dat inmiddels is ingericht als Soekarnomuseum. Volgens het gastenboek is er vandaag slechts een handvol bezoekers langsgeweest. Louis, een tengere jongen die pas klaar is met zijn technische school, verzorgt een rondleiding door de oude villa. Langs Soekarno-portretten, en foto's, langs antieke meubels en de slaapkamer van de eerste president. Die is geheel ingericht alsof Bung Karno hier vanavond weer zal logeren. Aan het slot van de rondleiding toont Louis in een garage achter het huis een oude zwarte Mercedes. “De auto van de president uit het jaar 1961”, verklaart hij. Louis is ondanks de ernst van de Indonesische crisis vol optimisme over zijn toekomst. Voor anderhalf miljoen schoolverlaters zijn er op dit moment geen banen. Maar Louis heeft dezelfde droom als veel van zijn leeftijdsgenoten. “Later wil ik een succesvol zakenman worden.”