DE GEZWOREN KAMERADEN VAN 1963

Kale kruinen, grijze haren en blozende gezichten. De reünisten van de zwaarste Elfstedentocht haalden gisteren herinneringen op aan die ene barre winterdag in 1963. Reinier Paping, Jan Uitham en Jeen van den Berg stonden destijds op het erepodium. En koningin Juliana zakte bijna door het ijs.

De haven van Hindeloopen ligt er verlaten bij. Een straffe zuidwester beukt tegen de dijken van het IJsselmeer. De thermometer aan de gevel van pension De Twee Hondjes wijst zeven graden boven het vriespunt. Buiten is er geen sprake van een Elfstedenkoorts. Binnen zitten de oude kampioenen aan de koffie met speculaas (de Beerenburger komt pas later op tafel). Ze praten over stuifsneeuw, kwalsterijs en bevroren ledematen. De lotgenoten van 18 januari 1963 zijn vrienden voor het leven.

Jeen van den Berg (70) vertelt over de geste van Jan Uitham (73), die tussen Dokkum en Leeuwarden rechtsomkeert maakte om zijn gevallen medevluchter op de been te helpen. Van den Berg had vanaf Sneek last van bevriezingsverschijnselen en was afhankelijk van de schaatsers die voor hem reden. “Ik kreeg de ogen bevroren”, zegt Van den Berg die als favoriet van start ging maar door het lichamelijke ongemak een ongelijke strijd voerde. “Anders had ik vast en zeker gewonnen. Paping had geluk dat hij van die kleine ogen heeft. Die konden niet bevriezen.”

De markante kop van Reinier Paping (66) is niet veel veranderd. Met zijn gele huid en zijn hoge jukbeenderen kan hij doorgaan voor een wintervorst uit Mongolië. Paping draagt een paar handschoenen die hem tijdens de tocht goed van pas kwamen. Hij overhandigt de kledingstukken aan eigenaar Gauke Bootsma van het Eerste Friesche Schaatsmuseum. Ze krijgen een plaatsje in de vitrinekast die geheel aan Paping is gewijd; naast de stalen noren, de witte ijsmuts met de drie gekleurde strepen, de lange onderbroek en de lidmaatschapskaart van de Deventer IJsclub.

Paping staat deze middag in het middelpunt van de belangstelling. Hij schudt veel handen en zoent nog veel meer wangen. Hij loopt een beetje stram door de ontvangstzaal, als gevolg van een versleten heup en een paar mislukte operaties. Schaatsenrijden is verleden tijd voor De Reus uit Ommen, zoals hij na zijn overwinning in de kranten werd aangeduid. De debuterende Elfstedenrijder was een outsider die nog nooit een tocht langer dan tachtig kilometer had gereden. Als voormalige langebaanschaatser was hij in het nadeel ten opzichte van de geoefende marathonrijders, maar op de dag der dagen was hij ongenaakbaar.

Paping (1): “Conditie kun je opbouwen, maar vorm blijft iets mysterieus. Ik reed die dag op vleugels. Bovendien had ik een handigheidje bedacht in die sneeuwduinen; ik ging helemaal door de knieën om de schokken op te vangen.” Uitham (2): “Reinier had meer lef dan de anderen. Hij durfde in zijn eentje weg te rijden. Ik reed meer als een verbeterde toerist. Ik was geen overwinnaar.” Van den Berg (3): “Ik had die winter alles gewonnen, maar net die ene dag had ik met pech te maken. Ik reed te ploeteren in de middle of nowhere. Ik zag geen ijs voor de ogen. Jammer, maar helaas. Pech moet je nemen zoals het is.”

Paping demarreerde bij Bolsward, hij dronk een kopje koffie in Harlingen, hij legde zijn onderkoelde lichaam op een geleende loden jas bij Franeker, hij vergrootte zijn voorsprong naar Dokkum, hij arriveerde met een voorsprong van 22 minuten in Leeuwarden. Zijn zonnebril werd geplet in de chaos bij de finish. Hij kreeg de gelukgewensen van koningin Juliana en prinses Beatrix, die per helikopter naar de aankomst op de Grote Wielen waren gereisd. Toen het ijs leek te bezwijken onder de enorme mensenmassa werd het koninklijk paar in allerijl naar de bewoonde wereld gedirigeerd. Papings zege kwam na afloop nog even in gevaar, omdat hij in de slotfase van de race gebruik zou hebben gemaakt van een 'voorrijder'. Het protest werd afgewezen en de winnaar kon een paar uur later worden gehuldigd.

Het bescheiden leven van Paping kreeg een andere wending. Als eigenaar van een sportzaak had hij veel baat bij zijn naamsbekendheid. De concurrerende winkels in de binnenstad van Zwolle konden de deuren definitief sluiten. Als vakantieganger op een buitenlandse camping ondervond hij ook de nadelen van zijn beroemdheid. “Ik werd helemaal geleefd. Wat die tocht allemaal heeft teweeggebracht, ongelooflijk. Soms moest ik me gewoon verstoppen.”

Paping vertelt met gepaste trots over de televisie-optredens met judoka Anton Geesink en voetballer Roel Wiersma. Hij vertelt met frisse tegenzin over de financiële gevolgen van de heroïsche zege. “Ik maakte na afloop reclame voor Brinta, die ik 's ochtends voor de start naar binnen had gewerkt. Prompt kreeg ik van dat bedrijf een aansteker cadeau en mijn vrouw een föhn.” Aarzelend noemt hij het resterende bedrag. “Dan praat je niet over duizenden maar over honderden guldens.”

In het Algemeen Dagblad van 19 januari 1963 adverteerde een chocoladefabrikant met de winnaar van de twaalfde Elfstedentocht. 'Van Houten cacao, prima voor je conditie, zegt Reinier Paping', vermeldt de tekst. Paping reageert verbaasd als de advertentie in herinnering wordt geroepen. “Ik heb nooit iets van die firma vernomen, laat staan dat ze me geld hebben gegeven. Daar moet ik toch eens werk van maken.”

Van den Berg (“Na een paar borrels mag je Jeen zeggen”) heeft meer commercieel inzicht, gezien zijn bemoeienissen in Hindeloopen. De gepensioneerde onderwijzer maakt deze middag reclame voor de sponsors van de natuurijswedstrijden in Finland en Oostenrijk. Hij draagt als enige reünist een jack met de naam van zijn sponsor. Hij is nog steeds actief in het marathonschaatsen. “Zaterdag reed ik nog in Groningen. Zondag zou ik eigenlijk in Deventer moeten rijden, maar ik heb geen zin om mezelf te vernielen. Vergeet niet dat die jonge gasten het verschil niet zien tussen rood en groen. Ze rijden als gekken tegenwoordig.”

Van den Berg was de winnaar van de Elfstedentocht in 1954, toen de omstandigheden aanmerkelijk beter waren dan in 1963. 'Een voorbeeldige ambassadeur van Friesland', meldt een regionaal krantenartikel op de tentoonstelling. De videobeelden in het museum tonen een ranke schaatser met een soepele techniek. Tegenwoordig maakt hij gebruik van klapschaatsen. “Dat zijn mooie dingen. Je vliegt gewoon over het ijs. Zo'n Elfstedentocht zou er een stuk gemakkelijker door worden.”

Met zijn dikke grijze haardos en zijn slanke postuur onderscheidt Van den Berg zich van de meeste generatiegenoten in de zaal. Hij is nog lang niet uitgereden en met zijn bevroren oogleden is het allemaal goed gekomen. “Ik heb een paar nachten vreselijke pijn gehad, zonder verdere gevolgen. Ik draag nog steeds geen bril en ben vorige week weer goedgekeurd voor mijn rijbewijs. Nee, van mij mag die tocht er zo weer komen. Iedereen is pessimistisch, maar vergeet niet dat het in 1956 pas eind januari voor het eerst begon te vriezen. Een paar weken later hadden we een Elfstedentocht.”