Bloemen in den knop gebroken

“U praat maar steeds over de Tachtigers, maar wij weten helemaal niet wie dat zijn!” zei de eerstejaars student Nederlands nijdig tegen de docent Moderne Letterkunde. En toen die, in de veronderstelling dat het om een piepkleine lacune ging, snel en verontschuldigend zei: “Nu ja, Kloos, Perk, Van Eeden en wie daar bijhoorden aan schrijvers en schilders, dat noemen we vaak grofweg 'de Tachtigers”' toen was het erger geworden dan voorheen, want wat dacht hij wel al die namen eruit te gooien alsof ze die zouden moeten kennen?

Schoolgegaan, op een instelling die 'voorbereidend wetenschappelijk onderwijs' zegt te verzorgen, maar aan wat eenvoudige recente literatuurgeschiedenis was men niet toegekomen.

Het gebeurde een paar jaar geleden, maar het zou gemakkelijk elke dag op elke universiteit kunnen gebeuren. Hoewel - docenten zullen het inmiddels wel uit hun hoofd laten om te veronderstellen dat wie van het atheneum of het gymnasium komt van de Tachtigers gehoord heeft.

Onlangs schreef een verontruste leraar Nederlands, Jos Radstake, in deze krant dat het vak literatuurgeschiedenis er nu helemaal aan gaat. Leerlingen zullen nauwelijks meer iets hoeven lezen. En in de Volkskrant schreef Aleid Truijens onder de kop “Tof boek, duf gedicht” ('jeugdige oordelen' waarvoor de leraar, aldus Truijens, interesse moet veinzen) dat het vak literatuurgeschiedenis nu zo goed als afgeschaft wordt. Ze vond het belachelijk om als het over literatuur gaat altijd maar weer met 'plezier' en 'leuk maken' op de proppen te komen. Bij wiskunde interesseert het niemand of leerlingen vierkantsvergelijkingen 'stom' of 'leuk' vinden. Ze moeten gewoon voldoendes halen en verder niet, al zal elke goede leraar vanzelfsprekend zijn best doen om zijn eigen enthousiasme voor het vak op de leerlingen over te brengen.

Truijens' artikel was één groot pleidooi tegen het 'leesplezier' als belangrijkste doelstelling van het onderwijs. Plezier komt vanzelf, of niet, als men heeft geleerd hoe te lezen en enige kennis heeft opgedaan over de aard en functie van literatuur. Plezier is een bijproduct.

Hoewel zowel Truijens als de verontruste leraar Radstake een onmiskenbaar gelijk hadden, is er ook iets wat zich tegen dat gelijk verzet. Dat is de gedachte dat er altijd geklaagd wordt over de verlaging van het niveau en de domheid van de nieuwe maatregelen. Het is toch onwaarschijnlijk dat de wereld er alleen maar op achteruit gaat. Kijkend naar het verleden zijn we geneigd dat te idealiseren en het ten achterblijven van de praktijk bij de toenmalige idealen niet zo zwaar te nemen als het achterblijven van de hedendaagse praktijk bij de idealen uit onze jeugd. We praten graag over wat ze 'toen' wel konden en nu niet meer kunnen, maar vergeten daarbij nog wel eens dat er ook nieuwe dingen bijgekomen zijn waar men destijds, in de tijd dat alles beter was, nog niet van kon dromen. Er zijn mensen die, met de dichter J.C. Bloem, vol willen houden dat 'elke verandering een verslechtering is, zelfs als het een verbetering is', maar dat is eerder een uiting van vermakelijk hartstochtelijk conservatisme dan een instelling die het verdient door iedereen overgenomen te worden.

Het was daarom wel prettig dat Frank van Dixhoorn, ook leraar Nederlands, zich vorige week, eveneens in deze krant, verzette tegen een al te groot gevoel van moedeloosheid. In het nieuwe voorstel voor literatuuronderwijs in de hogere klasse van de middelbare school zit ook veel goeds. “Er is geen enkele reden om bang te zijn voor verarming”, schrijft hij. In de nieuwe opzet moeten leerlingen leesdossiers aanleggen waarin ze van alles verzamelen, opschrijven en uitzoeken dat te maken heeft met de gelezen boeken - zowel literair-historisch als interpretatief als receptief. Geen leerling kan meer met behulp van een uittrekselboek door zijn schoolonderzoeken zwijnen, zoals in de tijd van de goeie ouwe literatuurlijst. De - verplichte - verdieping zal hem of haar veel duidelijk maken over wat literatuur eigenlijk is. Twaalf boeken echt goed gelezen, gezien en begrepen hebben levert meer kennis op over de waarde van literatuur dan het oppervlakkig doorlezen van twintig titels voor de lijst.

Wie oppervlakkig met iets kennis maakt kan makkelijk denken dat er niet veel meer te weten is, dat er niets interessants schuil gaat achter de zojuist bezichtigde gevel. Dwang tot verder kijken kan geen kwaad. “Voor iedere leraar Nederlands die nog een beetje plezier heeft in zijn vak, zijn dit zeer spannende tijden”, schreef Van Dixhoorn handenwrijvend.

Betekent dit dat Truijens en Radstake vervelende ouderwetse zeurpieten zijn?

Jammer genoeg helemaal niet. Ze hebben een gelijk dat niet is weg te praten met het wijzen op nieuwe pluspunten. Want er dreigt veel, de literatuurgeschiedenis bijvoorbeeld, voorgoed te verdwijnen. En het is met cultuur nu eenmaal zo dat alles makkelijk te vernietigen is, maar moeilijk weer terug te krijgen.

Staatssecretaris van Onderwijs Tineke Netelenbos zei gisteren in het televisieprogramma 'De Plantage' dat er nog nooit zo veel cultuuronderwijs geweest was als er nu stond aan te komen. En ze ried leraren aan dan vooral ook eens naar toneel te gaan. Dat is bijna grappig onnozel: enthousiaste leraren gingen altijd al met hun leerlingen naar toneel, niet enthousiaste deden het niet en zullen het nooit doen. Dat het bovendien een schrale troost is voor een leraar Nederlands om literatuurgeschiedenis te moeten geven in een paar uurtjes per jaar, opdat een andere docent in een al even beperkt aantal uren rap wat over muziek of schilderkunst kan vertellen, leek Netelenbos al evenmin te beseffen.

Het blijft hoe dan ook armoedig om kinderen van school te laten komen zonder enige behoorlijke kennis van de eigen cultuur. En die lacune wordt, met de voortschrijdende hervormingen die ook in het universitaire onderwijs plaatsvinden, niet meer opgevuld. In Amsterdam verdwijnt de letterenfaculteit om plaats te maken voor een nieuwe faculteit 'geesteswetenschappen'. Dat wordt verkocht als, alweer, 'leuk' en 'inspirerend', maar het betekent voornamelijk bezuinigen en samenvoegen en nog minder tijd voor de afzonderlijke vakken. Bij neerlandistiek heeft men inmiddels al besloten dat alle studenten in die nieuwe opzet kennis moeten maken met de literatuur vanaf 1945. Studenten die niet verder gaan in de letterkunde kunnen het daarbij laten - er zal geen tijd zijn om ze nog iets te vertellen over het interbellum, over Nijhoff, Ter Braak, Du Perron. Laat staan over de Tachtigers. Arme studenten. Wie heeft dat toch verzonnen dat ze maar zo weinig mogen leren, en punten en uren tellend door tot het uiterste uitgeholde opleidingen moeten racen? “Ik ween om bloemen in den knop gebroken.”