Zwakke lezers in de kou

DE BRIEF OVER de behandeling van dyslectische kinderen die minister Borst onlangs naar de Tweede Kamer stuurde, heeft grote commotie en onrust veroorzaakt bij zowel de deskundigen als de ouders. “Dramatisch”, zo omschrijft Arga Paternotte namens ouders van dyslectische kinderen het standpunt van de minister. “Het lijkt wel of dyslexie niet meer bestaat.”

Paternotte is werkzaam bij Balans, een oudervereniging met tienduizend leden die opkomt voor kinderen met leer- en gedragsproblemen. De brief van minister Borst, mede uit naam van staatssecretaris Netelenbos van Onderwijs, bevat de wel erg late reactie op het advies van de Gezondheidsraad over dyslexie dat in 1995 uitkwam. Pleitte de breed samengestelde adviescommissie van de Gezondheidsraad eensgezind voor gespecialiseerde behandeling van deze kinderen door orthopedagogen en kinderpsychologen, de minister vindt dat er binnen het onderwijs voldoende mogelijkheden aanwezig zijn om ernstig dyslectische leerlingen op weg te helpen. En als er gedragsproblemen ontstaan als gevolg van deze leeskwaal is er altijd nog de jeugdzorg. Professor Wied Ruijssenaars, voorzitter van de adviescommissie, is onthutst over dit simplistische standpunt.

De toon van de ministeriële brief is volgens Ruijssenaars “badinerend” en “niet serieus”.

Dyslexie is een probleem dat zich openbaart bij het technisch leren lezen. Dyslectische kinderen zijn zeer slecht in staat om het leesproces te automatiseren. Ze snappen niet hoe een woord in elkaar steekt. De combinatie van letters die samen een woord vormen moet daarom elke keer opnieuw ontrafeld worden. Een probleem dat zich vervolgens ook bij het schrijven voordoet. Bijzonder frustrerend is dat kinderen de woorden wel kennen, want bij praten en voorlezen begrijpen ze prima wat er wordt bedoeld. Hoewel de oorzaak van dyslexie niet vaststaat, wordt algemeen aangenomen dat het hier om een stoornis in de hersenen gaat. Dyslexie komt ruim drie keer zo vaak bij jongens voor als bij meisjes.

“Ouders van deze kinderen zwerven rond om hulp te krijgen, ze zijn vaak wanhopig”, is de ervaring van Chris Struiksma, adjunct-directeur van het Pedologisch Instituut in Rotterdam. Op zijn instituut is sinds een aantal jaren een 'Leeskliniek' gevestigd, waar dyslectische kinderen gericht getraind worden in het automatiseren van het leesproces. Dit gebeurt volgens de methode Bakker, een neuropsychologische aanpak, waarmee driekwart van de klantjes vooruitgang boekt. “Maar het blijven altijd zwakke lezers”, aldus Struiksma, “want dyslexie gaat nooit over.”

De Leeskliniek is ontstaan uit een samenwerkingsverband met een Rotterdamse polikliniek voor kinder-en jeugdpsychiatrie en de regionale zorgverzekeraar. Per jaar kunnen er ongeveer 26 kinderen worden geholpen, terwijl in Rotterdam volgens de schatting van Struiksma wel zeshonderd leerlingen rondlopen die deze behandeling nodig hebben. “Wij krijgen vooral kinderen van ouders die het er niet bij laten zitten en van scholen die het probleem onderkennen.” Op nog vijf andere plaatsen in het land wordt deze gespecialiseerde hulp geboden. Betere spreiding zit er niet in na deze reactie van Borst, vreest Struiksma. Daarnaast wordt gevreesd dat zorgverzekeraars die de extra hulp voor dyslexie in hun pakket hebben zich zullen gaan beraden, nu minister Borst het standpunt huldigt dat het onderwijs en de jeugdzorg voldoende geëquipeerd zijn om de problemen op te lossen.

Kern van het advies van de Gezondheidsraad is dat leerkrachten, schoolbegeleidingsdiensten, remedial teachers en alle andere hulptroepen binnen het onderwijs alle zeilen moeten bijzetten om ook de zwakste zesjarigen aan het lezen en spellen te krijgen. De operatie Weer Samen Naar School, de samenwerking tussen het gewone en het speciaal onderwijs, kan daartoe bijdragen, maar het probleem niet oplossen. “Als de gebruikelijke hulpprogramma's binnen het onderwijs niet helpen, moet er gespecialiseerde hulp van orthopedagogen en kinderpsychologen worden ingeschakeld”, zegt Ruijssenaars. De diagnostiek en behandeling door deze specialisten vallen onder gezondheidszorg en moeten worden uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde criteria. In het rapport van de commissie wordt daar uitgebreid op in gegaan. De rol van logopedisten bij dyslexie moet zich beperken tot problemen op het gebied van de spraakklanken en kan bij de onderkenning en behandeling van de lees- en spellingstoornis slechts aanvullend zijn.

Een standpunt dat ook door de logopedisten in de adviescommissie werd onderschreven. Professor Ruijssenaars bepleit dat de specialistische hulp bij dyslexie alleen voor de 'ernstige, hardnekkige en complexe gevallen' beschikbaar moet zijn. Scholen moeten eerst aantonen dat ze deze kinderen ten minste een half jaar intensief en planmatig hebben begeleid, maar dat ze ondanks deze inspanningen geen vooruitgang boeken. Bijna drie procent van de leerlingen blijkt zo'n ernstige vorm van dyslexie te hebben dat deze niet binnen school kan worden opgelost.

Het is juist deze drie procent die in de brief van Borst volledig genegeerd wordt, menen Ruijssenaars, Struiksma en Paternotte eensgezind. Deze kinderen hebben geen baat bij Weer Samen Naar School, noch bij klassenverkleining. Ook de samenwerking tussen onderwijs en gezondheidszorg - volgens Struiksma is die om te huilen - zal deze kinderen weinig soelaas bieden. Het voorstel om dyslectische kinderen met gedragsstoornissen naar de jeugdzorg door te schuiven is volgens Ruijssenaars het paard achter de wagen spannen. “Stel je voor dat er alleen een beroep op de jeugdzorg kan worden gedaan als er behalve dyslexie ook sprake is van een gedragsstoornis. Het wordt dan aantrekkelijk om twee stoornissen te hebben. Bovendien weten ze in de jeugdzorg wel wat van gedragsproblemen maar weinig van dyslexie.”

Het “waardeloze, nietszeggende” standpunt van minister Borst is volgens Struiksma het gevolg van “gebakkelei” tussen de ministeries van Volksgezondheid en Onderwijs. Dyslexie wordt als een hete aardappel heen en weer geschoven. Ruijssenaars concludeert dat de reactie van de minister niet voor niets zo lang op zich heeft laten wachten. “Een nagel aan de doodskist van haar ambtenaren”, aldus de hoogleraar. “Ze wisten niets van dyslexie en kwamen hier langs om zich te laten bijscholen. Ze vonden het reuze interessant en heel erg allemaal en vroegen aan mij wie ze op het ministerie van Onderwijs moesten benaderen over dit onderwerp.” “Het wachten is op een minister met een dyslectisch kind, die uit eigen ervaring weet wat een ramp dat is”, zegt Struiksma.

Dus toch..... dyslexie, Arga Paternotte (red). Uitgave Vereniging Balans, Bilthoven 1997 (030-2255.050). Prijs ƒ 20,- ISBN 90.800316-6-6