Zowel Albanezen als Serviërs radicaliseren; Kosovo's 'roestige passiviteit' voorbij

In Kosovo, de door een grote Albanese meerderheid bewoonde regio in Servië, radicaliseren zowel de onderdrukte Albanezen als de Serviërs. De tot voor kort onomstreden leider van de Albanezen, Ibrahim Rugova, wordt steeds irrelevanter.

ROTTERDAM, 17 JAN. De Albanezen van Kosovo verliezen hun geduld. Negen jaar geleden pakte de Servische leider Slobodan MiloviEÉc hun grondwettelijk gegarandeerde autonomie af. Negen jaar lang hebben ze onder leiding van Ibrahim Rugova - 'president' van de zelfuitgeroepen 'Republiek Kosovo' - geweld vermeden en zich beperkt tot de ondergrondse organisatie van een parallelle samenleving, in de wetenschap dat elke andere vorm van verzet kan leiden tot een ongekend bloedbad, met bovendien de mogelijkheid dat buurlanden als Albanië en Macedonië óók exoploderen.

Maar aan alles komt een eind, ook aan het geduld van de Albanezen. De Joegoslavische president MiloviEÉc wijst systematisch elke vorm van dialoog af en toont zich jaar in, jaar uit ongevoelig voor de kritiek, de oproepen en de dreigementen van de internationale gemeenschap waar het de kwestie-Kosovo betreft. Aldus is onder de 1,7 miljoen Albanezen een gevoel van uitzichtloosheid ontstaan dat hen na negen jaar wachten vatbaar maakt voor alternatieven voor Rugova's geweldloosheid.

Dat blijkt uit de demonstraties van duizenden studenten die de gummiknuppels van de Servische politie trotseerden en in de herfst tot drie keer toe de straat opgingen om te demonstreren voor de invoering van een Albanees leerprogramma op de universiteit. Het blijkt nog meer door de grote steun die het Kosovar Bevrijdingsleger (Ushtria Çlirimatare e Kosovas, UÇK) onder de Albanezen geniet.

Dat UÇK is de grootste uitdaging aan het adres van zowel MiloviEÉc als Rugova: het wil niets weten van Rugova's vreedzame verzet en zijn burgerlijke ongehoorzaamheid. Integendeel: het heeft de afgelopen jaren tientallen Serviërs en Albanese collaborateurs vermoord. Het UÇK is inmiddels de baas in grote delen van Kosovo. In het westen, tussen Titovo Mitrovica en PeEÉc, vertoont de Servische politie zich niet meer, na een reeks vuurgevechten waarbij twintig doden vielen. Vorig jaar nog kwam men daar elke paar kilometer een politiepatrouille tegen. De dorpen zijn stuk voor stuk machtsbases van de UÇK. Alleen het leger laat zich er nog sporadisch zien.

De kentering in het Albanese denken raakt ook de leiding. Eind december trok de 'premier' van de 'Republiek Kosovo', Bujar Bukoshi, Rugova's rechterhand, in het Albaneestalige blad Zëri in ongewoon scherpe bewoordingen van leer tegen het tot nu toe gevolgde beleid. 'De leiding', aldus Bukoshi, moet veranderingen aanbrengen, moet worden aangevuld met “nieuwe, energieke mensen”, en moet “haar extreme passiviteit” beëindigen, want “die is utopisch”. “Zelfs de Bijbel predikt dat God diegenen helpt die zichzelf helpen. De leiding van Kosovo moet met de voeten op aarde terugkeren en ophouden met dromen dat 'ze' ons onafhankelijkheid geven.” Met die 'ze' bedoelde Bukoshi de internationale gemeenschap.

In een rechtstreekse aanval op Rugova zei Bukoshi dat “de politiek van zelfbeschikking niet kan worden volgehouden als ons beleid achter gesloten deuren wordt uitgestippeld, als alles is geconcentreerd in een paar handen en als er geen autoriteit wordt gedelegeerd. (..) Als we voortgaan met wat we tot nu toe doen, in extreme passiviteit en met typisch Albanese naïviteit, denkend dat alles in orde is, dat iemand anders opkomt voor een vrij Kosovo, dat alles beter wordt als we stil blijven zitten en wachten op onze eigen staat en als we denkbeeldige macht blijven uitoefenen terwijl we in werkelijkheid bezet zijn, zal 1998 niet anders zijn dan het jaar dat eindigt.” In dat geval blijft Kosovo “een gijzelaar van onze roestige, levenloze, sectarische politiek, opgeschrikt door illusoire hoop, onder de hiel van de wellustige Servische criminelen en cynisch in de gaten gehouden door de waarnemers van de beschaafde wereld.”

Een reeks Albanese prominenten, variërend van de ex-communist Azem Vllasi (ooit Tito's favoriet) tot de anti-communist Adem Demaçi (de Albanese Nelson Mandela: hij zat 28 jaar gevangen om zijn denkbeelden), heeft gewaarschuwd dat het kruitvat Kosovo op ontploffen staat. De Amerikaanse gezant Robert Gelbard zei deze week “ontzettend bezorgd” te zijn over de situatie.

Er gaat nu vrijwel geen dag voorbij zonder een actie van de UÇK en het lijkt een kwestie van tijd voordat de Albanezen overgaan op een andere strategie. Individuele aanslagen zijn niet de manier om het conflict te winnen. Belangrijer (en gevreesder door Belgrado) is een wapen dat de Albanezen nog niet hebben toegepast: dat van de economische sabotage aan de voor Joegoslavië essentiële industriële vestigingen in Kosovo, de Trep-mijn bijvoorbeeld, of het ferro-nikkelcomplex van Glogovac.

De radicalisering van de Albanezen lijkt Belgrado niet te deren. Ze deert wèl de Servisch-Montenegrijnse minderheid in Kosovo - tien procent van de bevolking, met honderd procent van de macht. Zij radicaliseert op haar beurt mee, uit angst. Honderden Serviërs dreigden dinsdag bij een betoging de wapens op te nemen als MiloviEÉc hen niet beschermt tegen het Albanese “terrorisme en separatisme”. Een soortgelijke oproep bracht twaalf jaar geleden een kettingreactie op gang, waarin de plotselinge opkomst van MiloviEÉc de eerste gebeurtenis was en de teloorgang van de autonomie van Kosovo de laatste.

Nu zwijgt MiloviEÉc, en dat brengt de Serviërs van Kosovo tot verbittering en woede. Vojislav vkoviEÉc, leider van MiloviEÉc' socialistische partij SPS in Kosovo, hield vorige week de Serviërs voor dat “de staat Servië spoedig afrekent met de Albanese terroristen”. Maar vkoviEÉc is allang ingehaald door meer radicale Servische leiders, die zich door Belgrado alleen maar verraden voelen. Bogdan Kecman, voorzitter van Bor, de Servisch-Montenegrijnse vereniging in Kosovo, riep vorige week tijdens een betoging in de stad Istok dat “de Albanezen ons op onze eigen drempel vermoorden” en dat Belgrado de Serviërs in Kosovo heeft “verraden”. Zij moeten daarom “het lot in eigen handen nemen en zich bevrijden van de Albanese terroristen èn van de Servische regering”. Kecman riep de Serviërs van Istok op “hun jachtgeweren te voorschijn te halen” en de regio tussen Klina en de hoofdstad Priina op eigen houtje van de UÇK te “bevrijden” - want de Servische regering doet dat niet.