Vernieuwingen vernietigen het onderwijs

Plannen voor een ander, beter onderwijs worden steeds met veel bombarie aangekondigd, maar de vele bijstellingen die daarop volgen maken dat de meeste leraren nu de krantenberichten over onderwijs mijden. Alleszins begrijpelijk, vindt Ton van Haperen. Eind deze maand is een onderwijsstaking uitgeroepen.

Stilstand is achteruitgang. En bij achteruitgang dreigt een nederlaag en dat wil niemand, want winst is welvaart. Eennatuurlijk verlangen naar dynamiek is daarom prijzenswaardig. Bij voldoende perspectief leidt verandering ook tot begeestering en betrokkenheid, stemmingen die prettiger aanvoelen dan depressiviteit en lethargie.

Bij het slagen van zo'n vernieuwingsproces hangt veel af van de voorlopers. Zij nemen de verantwoordelijkheid die anderen laten liggen, zij zijn het die de vooruitgang afdwingen. Philips geneest niet vanzelf, daar is Boonstra voor nodig. Van zulke voorlopers wordt echter wel duidelijkheid geëist. Tegenstrijdige signalen en aarzeling hebben een vernietigende werking op het veranderingsproces.

Ook de publieke sector is bevangen door dynamiek. De bewindslieden Netelenbos en Ritzen doen er bijvoorbeeld alles aan het onderwijs te laten meeblazen in de wervelwind van vooruitgang. Zij hebben hiervoor twee motieven, het product is ouderwets en sluit niet aan bij de eisen die de moderne samenleving aan jonge mensen stelt. Bovendien zijn scholen star georganiseerd en duur.

De oplossing die Netelenbos en Ritzen bieden is een 'leerinhoud' die minder gericht is op het verwerven van kennis en meer op het leerproces zelf. De prijs die hiervoor moet worden betaald wordt binnen de perken gehouden door de organisaties te budgetteren.

Een probleem is echter dat de voortrekkers Ritzen en Netelenbos inhoudelijk nog zo gelijk kunnen hebben, de chaotische manier waarop zij hun veranderingen invoeren maakt succes onmogelijk. Ze zijn voortdurend op zoek naar meerderheden, waardoor ze van de ene korte-termijnoverwinning naar het volgende compromis zwalken. Plannen en wetsvoorstellen worden steevast met de nodige bombarie aangekondigd, maar de vele bijstellingen die daarop volgen maken het voor het uitvoerend personeel zo ingewikkeld, dat leraren inmiddels de krantenberichten over onderwijs categorisch mijden.

Een willekeurige greep uit de grabbelton van de laatste maanden. De leerwegen in het Mavo/VBO beginnen een jaar later dan bedoeld. Scholen horen dit een half jaar voor de bedoelde invoering. Leerlingen op het Mavo mochten slechts vijf jaar over hun opleiding doen, nu weer zes. Hoe zal het over een jaar zijn? En de 'tweede fase' in de bovenbouw van het Havo/VWO, ook wel studiehuis genoemd, begint het volgend jaar of het jaar erop, dat zoekt iedereen zelf maar uit. Hoeveel uren onderwijscontact leerlingen krijgen in dat studiehuis is ook een zaak van de school.

Netelenbos vindt deze vaagheid geen probleem en gaat onverdroten verder in haar strijd tegen het klassikaal onderwijs. Zelfs het VBO mag van het door de staat gepropageerde 'onderwijs op maat' genieten. Hoewel, misschien ook niet. Want de controlerende Kamerleden kwamen tot de schokkende conclusie dat de basisvorming op het VBO niet zo'n succes is. De leerinhoud is te theoretisch, de kinderen zijn beter af als ze gewoon een vak leren.

Terug naar de oude ambachtsschool lijkt nu het nieuwe beleid te worden. Dat de basisvorming zo eenvoudig is dat Havo/VWO leerlingen er eveneens niks mee kunnen, wordt dan maar verzwegen. De vernieuwing in zijn geheel afschaffen is ook weer zo sneu voor de verantwoordelijken.

Leraren geven ondertussen gewoon les. Uit de meest recente rapportage van de inspectie blijkt dat er van alle mooie basisvormingsideeën in de praktijk bitter weinig valt terug te vinden. De vernieuwing is niet zichtbaar, leerlingen hebben er geen profijt van, er is niks veranderd.

Wat helaas wel zijn sporen nalaat is de huidige wijze van financieren van scholen en de daarbij horende schaalvergroting. Beide zijn een gevolg van de omschakeling van 'declareren' naar 'budgetteren'. De staat heeft zijn beheerstaak gereduceerd tot het verstrekken van een budget waarmee een school het maar moet zien te rooien. Hiermee verwerft een onderwijsinstelling autonomie, wat impliceert dat de schoolleider aan status wint. Hij promoveert van leerlingenteller in dienst van Zoetermeer tot manager.

Het enthousiasme was in beginsel dan ook groot. De gemiddelde schoolleider liet het zelfbeeld tot grote hoogten stijgen en zag zichzelf als een echte Napoleon die veldslag op veldslag zou strijden. Maar inmiddels hebben de directieleden hun Waterloo achter de rug. Zonder geld geen wapens en zonder wapens is de strijd nu eenmaal moeilijk te winnen.

De vernietigende werking van de budgettering is het best waarneembaar in het middel beroepsonderwijs (MBO). Het MBO was de eerste groep die mocht gaan lumpsummen. Omdat de consequentie van dit bekostigingssysteem is dat kleinere scholen onderdelen van het onderwijs niet meer kunnen aanbieden, halflege klassen zijn immers onbetaalbaar, zijn de opleidingen in elkaars armen gedreven. Zo ontstonden er veel grote regionale opleidingscentra (ROC's).

Uit een onlangs gepubliceerd rapport blijkt nu dat deze manier van besturen en bekostigen alleen kan, als er een wissel getrokken wordt op kwaliteit van eigenlijke activiteit van een onderwijsinstelling, de lessen. Alle scholen brachten bij de totstandkoming van de ROC's hun eigen bulk personeel met rechten in. Directieleden blijven directieleden en zullen als zodanig betaald dienen te worden. Of een oud-directeur van een MTS op zijn plaats is als manager in de centrale directie doet niet ter zake, hij krijgt zijn geld tot het pensioen. Bovendien zijn ROC's modern en dus werd de markt heilig verklaard.

Inmiddels zijn ook de poenige uiterlijkheden van het bedrijfsleven in het onderwijs overgenomen. Dus veel werving via dure paginagrote advertenties, nieuwjaarsrecepties met goochelaars, mega-personeelsfeesten met oh zo leuke cabaretiers en mooie reizen voor leerlingen. Maar een sluitend budget, passen in de flitsende tijdgeest en doorbetalen van personeel met oude rechten kan alleen als er bezuinigd wordt op de lesactiviteit.

Concreet betekent dit: minder ziektevervangingen, grotere klassen en werken met personeel van uitzendbureaus. Voor een deel is deze ellende misschien te wijten aan slecht management, maar anderzijds nodigt het systeem hiertoe uit. Hoe logisch en onverstandig de slechte ervaringen bij de vorming van de ROC's ook klinken, lering hieruit trekken is er niet bij. Vandaag de dag wordt elke onderwijsinstelling op deze wijze bekostigd. Ook in het voortgezet onderwijs zijn scholen gedwongen te fuseren en moeten degenen die nog niet onder de paraplu van een groot bestuur drooggehouden worden ervoor zorgen dat zij snel mogen inhaken.

Ondanks de mooie verhalen over klassenverkleiningen in het basisonderwijs is overduidelijk dat kinderen in de puberteit weer in grote groepen terechtkomen. Het kan niet anders, het werkt zo. Het is de enige manier waarop een school op de verwoestende markt overeind kan blijven.

Het innovatief beleid van Netelenbos en Ritzen is geënt op het idee 'onderwijskundige vernieuwing in een autonome school'. Maar dit blijkt in de praktijk niet te werken. Aan de hogere eisen die aan personeel en organisatie worden gesteld moet voldaan worden binnen steeds krappere mogelijkheden. Het kan niet anders dan dat de kwaliteit dan terugloopt.

Daar komt bij dat de politici de neiging hebben vernieuwingen rommelig en onduidelijk te presenteren, zodat het uitvoerend personeel al lang de weg kwijt is.

Sommige eerstegraads-leraren gaan het komend jaar de 'tweede fase' invoeren. Hun rol ten opzichte van de leerling verandert in deze nieuwe structuur wezenlijk en scholing is dan ook broodnodig. De staatssecretaris zag dit ook en beloofde hiervoor een vrijstelling van twee lessen per week. Maar driekwart jaar later zijn die scholingsuren gewoon kwijt. Geen leraar heeft dat studieverlof gehad en dat is kwalijk. Ter verduidelijking: een leraar in de bovenbouw gaf veertig jaar geleden 26 lessen per week, in wederopbouwend Nederland stond deze taakbelasting gelijk aan een 48-urige werkweek. Diezelfde leraar geeft nu 28 lessen in een maatschappij waar drugsgebruik op jonge leeftijd de normaalste zaak van de wereld is, één op drie echtparen het ergens onderweg voor gezien houdt en een normale werkweek 36 uur beslaat.

Dat de onderwijsgevende wat aan energie heeft ingeleverd is in deze situatie niet verwonderlijk. Voorbereiding op de 'tweede fase' in eigen tijd kan de staatssecretaris echt vergeten, dat zit er binnen de huidige taakbelasting gewoon niet in. Geen bijscholing betekent niet de gewenste professionaliteit.

Maar het studiehuis wordt toch ingevoerd en Netelenbos vertelt trots aan de pers dat ze de Mammoetwet herschreven heeft. Het zal wel. De docent weet dat zijn klassen groter worden en heeft het onderhand wel gehad met de luchtfietserij.

Elke politicus zou kunnen begrijpen dat vernieuwing zo niet werkt, dat het studiehuis tien jaar rommelen wordt en dat er dus tien jaar lang menselijk kapitaal verloren gaat. Misschien is dit wel wat de bewindslieden willen: hoe kleiner de bovenbouw van het Havo/VWO, hoe kleiner de universiteit en het HBO, dat scheelt weer een paar centen. Maar zeg dat dan, presenteer het als keuze, dan weten leraren in ieder geval zeker op wie ze over vier maanden niet moeten stemmen.