Thorbecke droeg zijn spade ten teken van de nieuwe tijd

Johan Rudolf Thorbecke, was het constitutionele meesterbrein van zijn tijd. Maar volgens Harry van Wijnen was hij ook een groter tacticus dan de geschiedenis van hem heeft gemaakt.

Minister Thorbecke beschikte niet over projectieschermen of onderwatercamera's om zijn grootse en gewaagde plan voor een dubbele zeeverbinding in de Tweede Kamer aanschouwelijk te maken. Met een toverlantaarn zou de minister van Binnenlandse Zaken een eind gekomen zijn, maar Thorbecke deed geen concessies. De man die deze week tweehonderd jaar geleden in Zwolle werd geboren, was geen man van plaatjes maar van woorden, voor wie letters heilig waren. Als zijn Leidse studenten boeken zonder fratsen konden lezen, moest de Vertegenwoordiging het ook zonder kunnen. Visueel moest de Kamer het dat jaar (1862) doen met de eendimensionale bouwtekeningen van de ontwerper Pieter Caland, waar een leek geen wijs uit kon worden en die Thorbecke ook nog zo onwennig voor zich uit spreidde dat de Kamer er nauwelijks iets van zag. Maar hoe de eerste minister ook hanneste met de knisperende vellen, hij liet er geen twijfel over bestaan dat alleen zijn argumenten telden, daarop moest men hem beoordelen.

Thorbecke's ambitie was: Amsterdam en Rotterdam “nader aan zee te brengen.” Hij had dit in de geniale vorm van een gecombineerd wetsontwerp gegoten waarin het plan voor de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal in één opzet waren verenigd - het eerste package deal in de parlementaire geschiedenis. Thorbecke demonstreerde daarmee zijn toewijding aan beide projecten, verzekerde zich tegelijkertijd van de steun van beide steden en neutraliseerde in één klap de onvruchtbare jaloezie die sinds eeuwen tussen die twee bestond. Met hartstocht verdedigde hij het plan in de Tweede Kamer en daar maakte hij er geen geheim van dat hij er met hart en ziel aan gecommitteerd was. Meer dan eens zou hij het “een oude liefde” noemen. Het was een gemoedstoestand die zijn tegenstanders nog niet eerder hadden gezien. Voor één keer permitteerde hij zich grote woorden: het plan zou “een groot moreel effect” op de ondernemingslust in Nederland hebben.

In Venetië, Marseille, Cherbourg en Dover was het gelukt havenwerken te bouwen die de mens nog niet eerder tot stand had gebracht, en ook Nederland zou erin slagen de zee te bedwingen. Daarvoor moest de Kamer een beslissing nemen. Tien jaar lang was over de zeeverbindingen gepraat, zonder dat iets besloten was. In zijn eerste kabinet had Thorbecke al steun toegezegd voor de aanleg van verbindingen naar zee, maar toen had Amsterdam de plannen opgehouden. Nu sleepte de zaak nog steeds in de Tweede Kamer en woedde de strijd over de vraag of het werk op staatskosten moest worden uitgevoerd of voor particuliere rekening. De een wilde 'een Landswerk', de ander 'een werk bij concessie'. Een derde beschuldigde het kabinet van 'centralisatiezucht', een vierde verzette zich uit alle macht tegen de oprichting van een 'Staatsindustrie'.

Het getalm van de natie had volgens Thorbecke lang genoeg geduurd. In de vergadering van 13 december 1862 maande hij de Kamer voor de laatste keer, al zou het niet zijn laatste vermaning zijn en ook niet zijn laatste poging om zijn tegenstanders over de streep te trekken. In zijn strijdbare voortvarendheid sprak hij de bekende woorden: “Ik ben hier gekomen met de spade op de schouder.”

Urenlang beantwoordde hij minutieus de vragen van de Kamer. Onverschrokken ging hij in op de betogen van sprekers die er niets in zagen, er niet in geloofden of er niets van wilden weten. Onbewogen bleef hij overeind tegen degenen die hem verweten dat de berekeningen over eb en vloed niet grondig genoeg waren getest.

De tegenstanders hadden geen contra-expertise meegebracht, maar wisten desondanks dat Thorbeckes berekeningen niet zouden uitkomen. De windkracht was niet goed berekend, de zeeschuring was onderschat. De zeemonden waren niet diep genoeg, de vaargeulen niet breed genoeg, het beton van de damwanden niet sterk genoeg. De ene aannemer deugde niet, omdat hij eerder knoeiwerk had geleverd, de andere omdat hij een bekend fraudeur was. Nog nooit was de behoudzucht in zoveel chicanes ingekleed en nog nooit was er zo op de man gespeeld. Maar Thorbecke liep onverstoorbaar alle bedenkingen door. Met de meeste had hij geen moeite, in een enkel geval verklaarde hij zich onbevoegd en wat hem niet aanging rekende hij kortaf buiten zijn competentie. Hij hulde zijn meewarigheid over de kortzichtigheid van de oppositie in onnavolgbaar gepolijste zinnen, waarvan niemand terug had.

Alleen als hij mooie vergezichten van de economische toekomst van Amsterdam en Rotterdam opende, ging zijn stem ietwat omhoog. Aan dichterlijke lyriek bezondigde Thorbecke zich nooit, maar een enkele keer verried hij een emotie. Dan sprak hij van 'enthousiasme'. Maar voor de rest liet hij zich door de onheilsprofetieën van lobbyisten die aan het kortste eind hadden getrokken, niet uit zijn tent lokken.

De zeeën waren nog nooit zo hoog gegaan als in dit debat en nog nooit had men zulk parlementair hogeschoolwerk gezien waarmee één man een halve vijandige Kamer had ontwapend. Maar ook toen het wetsontwerp met 37 tegen 26 stemmen werd aangenomen, en iedereen besefte dat Thorbecke zijn belangrijkste wetgeving door de Tweede Kamer had gesleept, verborg hij zijn opluchting. De minister van Binnenlandse Zaken, wiens portefeuille in die tijd letterlijk nog het hele land bestreek, liet zich volgens het gebruikelijke ritueel de handen schudden zonder dat op zijn gezicht het kleinste lachje verscheen. Had hij het voorgevoel dat het karwei niet zonder gebrek zou worden afgeleverd (in 1872) en nog jarenlang door kinderziekten zou worden gekweld?

Het was in ieder geval een werk dat naar menselijke berekening onmogelijk was. Het leek te spotten met de wetten van de natuur en de onberekenbaarheid der elementen. Maar het tekende Thorbecke dat zijn oog dingen zag die niemand anders zag en dat die dingen ook zouden uitkomen. Rotterdam en Amsterdam werden zeehavens en konden weldra wedijveren met Hamburg en Bremen. Rotterdam werd zelfs een wereldhaven en het centrum van een nog steeds groeiende transporteconomie.

Thorbecke voelde dat de tijden veranderd waren. In het Kamerdebat refereerde hij aan een toespraak van een Engelse liberaal, die kort tevoren een toast had uitgebracht op l'Impossible. In die stemming voelde Thorbecke zich ook. Wie in de toekomst geloofde, wist dat het onmogelijke mogelijk was geworden.