Partiële resistentie

Duurzame resistentie heet ook wel partiële resistentie, een term die begin jaren zeventig werd bedacht door de Wageningse hoogleraar Plantenveredeling prof.dr. Jan Parlevliet. “Hoe hoger de partiële resistentie tegen een parasiet, hoe beter een plant beschermd is tegen die ziekteverwekker”, zegt de inmiddels gepensioneerde Parlevliet.

“Maar honderd procent zal de protectie bijna nooit worden. Vandaar dat woord, partieel. Een gedeelte van de planten zal toch geïnfecteerd raken. Je accepteert dus een klein percentage uitvallers, maar daar krijg je iets voor terug: een resistentie die duurzaam is, die jarenlang of zelfs decennialang in stand blijft.”

Het idee van duurzame resistentie stamt uit het begin van deze eeuw. Parlevliet: “Er werd ontdekt dat je bijvoorbeeld tarwe resistent kon maken tegen een schimmelziekte. Meteen ging de gedachte: we kunnen onze gewassen voor altijd van alle ziektes af helpen. Maar de bescherming bleek van korte duur. De ziekteverwekkers pasten zich snel aan, binnen de kortste keren tastten ze het gewas weer aan. Midden jaren vijftig sloeg het pessimisme toe. Geen enkele resistentie zou duurzaam zijn. Maar vanaf de jaren zestig zagen we toch weer hoopvolle voorbeelden. Er werden aardappelrassen ontdekt die partieel resistent waren tegen de belangrijkste aardappelparasiet, de schimmel Phytophtora infestans. En sommige druivenrassen bleken partieel resistent tegen de wortelluis die in de vorige eeuw de Europese wijnbouw teisterde.”

Parlevliet was de eerste ter wereld die het verschijnsel duurzame resistentie systematisch ging onderzoeken. Begin jaren zeventig zette hij een modelstudie op met gerst en de ziekte dwergroest die wordt veroorzaakt door een schimmel. Hij kruiste rassen die partieel resistent waren tegen dwergroest. Van de duizenden nakomelingen verwijderde hij de meest vatbare. Met de rest zette hij nieuwe kruisingen in. De resistentie tegen dwergroest steeg langzaam. Tijdens zijn kruisingen selecteerde hij bovendien op andere landbouwkundige eigenschappen, zoals opbrengst en stevigheid. Uiteindelijk kreeg hij landbouwwaardige gerst met een hoog niveau van resistentie. De bladeren van het uitgangsmateriaal waren gemiddeld voor 60 procent bedekt met de roodgele puistjes waarin schimmelsporen zitten. Dat percentage daalde uiteindelijk tot zo'n twee procent.

In Amerika hebben onderzoekers inmiddels iets dergelijks gedaan met bepaalde sojaboonrassen. Er werden planten geselecteerd met een hoge partiële resistentie tegen een bacterieziekte. Met succes. In Kenia bestaat er inmiddels een tarweras met een hoge partiele resistentie tegen een schimmel die roest veroorzaakt.

Maar bedrijven staan er niet op te springen om duurzame resistentie tot hun nieuwe strategie te maken. Parlevliet: “De commerciële kweker verwacht snelle resultaten. Dat krijgen ze met duurzame resistentie niet, want de veredelingsprogramma's nemen vaak tien tot vijftien jaar in beslag. Daarom houden ze vast houden aan de manier waarop ze nu werken. Snelle, maar kortdurende successen. Een ingebrachte resistentie is na drie, vier jaar weer doorbroken. Trouwens, waarom zou de veredelaar kiezen voor duurzame resistentie. Hij heeft er belang bij dat boeren steeds nieuwe rassen gerst, tarwe en aardappelen van hem afnemen.”