Ouderdom

De mannen waaruit ik besta keerden zich binnenstebuiten. Een van hen zei boos: “Wij naderen onze zesenzeventigste verjaardag. Wij zijn oud. Wij dienen vast te stellen wat dat voor ons betekent.”

Een tweede zei lelijk grijnzend: “Ouderdom bestaat toch niet meer? Je leest het vaak. Veel groente eten, veel fruit eten, nooit tabak en alcohol, iedere dag een fikse wandeling, liefst wat sport al is het sjoelbakken, belangstelling voor anderen, de fietsbanden van de kleinkinderen plakken. Blijf niet achter de geraniums zitten. Merkwaardige uitdrukking is dat. Die heb ik pas vorig jaar voor het eerst gehoord.”

“Spot er niet mee”, zei een derde. “Je leest even vaak dat we veel te oud worden. Zoveel mensen overleven zichzelf. Dat is gruwelijk. Ik heb in geluk nooit geloofd en krimp van angst voor mijn toekomstig lijden. Dat is geen tekst van mij hoor, dat is een citaat.”

Een vierde zei: “Ach, wat heb ik toch van oude mensen gehouden... Ik was zo jaloers. Daar zat je bij zo'n vriendelijke brekebeen of bij zo'n verzenuwde kankeraar. Ieder gebaar stram en stijf. Een trekje van pijn bij iedere beweging. Veel gehoest. Een duffe geur, met vlagen after shave of eau de cologne. Je moest vaak schreeuwen. Het was niet altijd duidelijk waar het gesprek over ging. En ik was jaloers. Ze hadden zoveel beleefd. Daar zat minstens driekwart eeuw verleden te rochelen en te hijgen. Ze drukten zich misschien niet helder uit maar ze wisten dingen die met hen verloren zouden gaan. Ik luisterde ademloos. Ja, de ouderdom, benijdenswaardig.”

Wij schreeuwden door elkaar heen. “Man, je bent van god los”. “Die oude zot is godbetert jaloers op zichzelf”. “Doe hem weg, stop hem in het verpleeghuis.”

Een van ons tikte luid op de tafel. “Zo waren wij op ons twintigste”, zei hij. “Het was de twintigjarige in ons die sprak. Of misschien de dertigjarige die graag naar zijn kindse grootmoeder luisterde. Wij moeten hem niet verloochenen. Dankzij hem komen we tot een ontdekking. Wij hebben verwachtingen gehad van de ouderdom.”

“Voorbij en niet meer in de mode”, zei een ander. “Romantische onzin, onttrokken aan de klassieken, en vandaag de dag is het rommel. Volgens werkgevers ben je op je vijftigste opgebrand en aan demotie toe. Volgens welzijnswerkers is het heel gewoon op je tachtigste verliefd te worden. De hemel beware ons voor zo'n weldaad van de natuur. Dit terzijde.”

“Wat ik ook zo aardig vond”, zei de man die wij hadden afgeblaft, “waren hun versleten spullen. Zo'n huis stond vol dingen die te oud waren om weg te doen. Vaas met een kras in zijn buik, tafelbel zonder klepel, aan de muur vergeelde foto's in met plakband bijeengehouden lijst, bric à brac van meer dan een eeuw, door de Dood, die grote schenker, hoffelijk aangeboden uit de nalatenschap van grootouders, ooms, tantes, vrienden. Alles herinnering in zo'n huis, alles vol betekenis. Dat afschuwelijke postzegeldoosje heeft de bejaarde op zijn vijftiende verjaardag cadeau gekregen van een vriendin van zijn moeder. Wat moest hij op zijn vijftiende met een postzegeldoosje? Hij vond het zo'n gek cadeau dat hij het is gaan gebruiken. Zestig jaar herinnering aan juffrouw Van Laren, die...”

“Malloot”, schreeuwden wij uit één mond. En dan door elkaar heen, ieder voor zich, zinnen als “Je bent jaloers op je eigen huis”, “Je probeert ons belachelijk te maken”, “Je wilt de ernst van ons onderwerp niet inzien.”

Een van ons tikte op de tafel. “Ouderdomssentimentaliteit”, zei hij, “en een lichte seniele verwarring. Maar hij heeft gelijk: als wij dood zijn heeft het meeste van ons bezit zijn betekenis verloren. Of zijn eigenlijke betekenis herkregen, dat kun je ook beweren. Waardoor de dingen in ons huis iedere relatie met elkaar kwijt raken. Wat doet het ertoe?”

Onze liefhebber van ouderdom zei: “Als ik een postzegel uit dat doosje neem denk ik aan juffrouw Van Laren. Ze was zwaar gebouwd en erg ongetrouwd. Ze zei dat ze niet van mannen hield die naar chocola roken. Ze moesten volgens haar ruiken naar leer en tabak. Mijn moeder vond het gedurfde taal en giechelde.”

Wij zuchtten? Een van ons zei: “Zo gaat ieder gesprek naar de verdommenis.” Een ander zei: “Ouderdom is armzalig. Dat hoor je wel aan het gebabbel van onze vriend.” Een derde zei driftig: “Luister!”, maakte een wanhopig gebaar en zweeg. Een vierde zei: “Wij moeten overnieuw beginnen.”

“Onzin”, zei een vijfde. “Over onze jeugd hadden wij indertijd niets opvallends te berichten, over onze volwassenheid evenmin. Nu nemen onze krachten af. Over onze kwalen zwijgen wij. Wat we goed hebben gedaan kunnen we niet meer bederven. Wat we verkeerd hebben gedaan kunnen we niet meer goed maken . Illusies over de ouderdom hebben wij niet meer. Onrijp, onwijs, onnozel waren we ons hele leven, met een zekere geestdrift, en we zijn het nog, gelukkig. Maar de angsten, dat is het erge van ouderdom, de angst.”

“Bang voor de dood, meneer?”, riep een van ons jolig.

“Welnee”, was het antwoord, “we krimpen van angst voor ons toekomstig lijden, zoals de dichter zei. Wat wij wensen, te zijner tijd, is vrede en comfortabel sterven, banaler kan het niet.”

Een ander zei: “Met doodzijn heb ik moeite. Misschien weten we dat we doodgaan, dat hangt van veel af, maar doodzijn zullen we niet beseffen. Eens ben je er niet meer. Het is onmogelijk om je voor te stellen dat je er niet meer bent. Vreemd is dat.”

“Met dat postzegeldoosje klopt iets niet”, zei onze raddraaier. “Het is van hout, bekleed met een of andere rare stof, afgebladderd, en op het deksel staat een wapen gestempeld, in reliëf, een staande leeuw. Het ziet er nationalistisch uit. Zou juffrouw Van Laren een politieke bedoeling hebben gehad? Ik vraag me trouwens af of zij het mij heeft gegeven. Van juffrouw Verschuur kreeg ik ook wel een cadeautje op mijn verjaardag.”