Oosterparkwijk mist Rooie Gerrit

Gerrit Ruben, alias Rooie Gerrit, was 23 jaar jongerenwerker in de Groningse Oosterparkbuurt. “Een hartstikke toffe gozer”, volgens de jongeren. Zij eisen zijn terugkeer.

GRONINGEN, 17 JAN. Hij denkt wel eens: eigenlijk moet het jeugdcentrum JOP afbranden. Dan kunnen de jongeren van de Oosterparkwijk het met hun eigen handen weer opbouwen. Want dat deden ze ruim twintig jaar geleden ook. Gerrit Ruben - in de buurt beter bekend als Rooie Gerrit - kijkt er met voldoening op terug. “Met zestig jongeren hebben we het gebouw neergezet. Dat gaf een geweldige binding. Wat je met je eigen handen hebt neergezet, breek je niet meer af.”

Ruben (52) was tot tweeënhalf jaar geleden jongerenwerker in de Oosterparkwijk, de Groningse volksbuurt waar het op de avond van 30 december door reltrappende jongeren en falend politieoptreden zo uit de hand liep. Jongeren uit de Oosterparkwijk eisten donderdag op een hoorzitting georganiseerd door de gemeente de terugkeer van Ruben, want als hij er nog was geweest was het allemaal niet zo gelopen. “Een hartstikke toffe gozer. Het was gewoon gezellig bij Gerrit”, aldus een van de jongens. Hij was er altijd, loste de problemen van de jongeren op en had het vertrouwen van ouders.

Ruben, grof, gebruind gezicht en rossig haar, begon als jeugdleider bij voetbalvereniging Oosterparkers. Het jeugdcentrum dat hij samen met de jongeren bouwde is nu nog steeds via een stichting eigendom van de jeugd. Het personeel is inmiddels in dienst van de welzijnstichting WING. Drie jaar geleden kreeg Ruben bij een reorganisatie een andere baan, omdat iedereen die lang op dezelfde plek had gezeten ander werk moest gaan doen. “Ik had de 25 jaar bij het JOP graag vol willen maken”, zegt hij enigszins zuur. Hij wil over zijn vertrek niet al te veel kwijt. Jongeren hebben het destijds wel aan hem gemerkt dat hij niet uit eigen beweging wegging. Dat heeft het voor de jeugdwerkers die na hem kwamen nog eens extra moeilijk gemaakt. Over zijn rol in de buurt zegt hij: “Ik was aan de ene kant de vriend en vader, aan de andere kant een politieagent. Daartussen probeerde ik het evenwicht vinden.”

Ruben zit met zijn opvolger Otto Veenstra (31) aan tafel in het Treslinghuis in de Oosterparkwijk, vlakbij het voetbalstadion van FC Groningen. Ze hopen allebei dat het stadion nog eens uit de wijk verdwijnt. Ruben: “De jeugd ziet hier om de veertien dagen relletjes. Ze zijn er mee opgegroeid.”

Eén ding moet duidelijk zijn, zegt Ruben: het JOP, wat staat voor Jongeren Oosterparkwijk, is voor hem een gesloten boek. “Otto is minstens net zo goed als ik”, zegt hij over zijn opvolger. “Alleen zou hij voor meer uren bij het JOP moeten worden aangesteld.” Voor Veenstra, die in tegenstelling tot Ruben niet in de wijk woont maar in een dorp in Friesland, was het op de hoorzitting niet prettig te horen dat de jeugd wil dat Gerrit terugkomt. “Maar jij hebt het ook 23 jaar gedaan”, zegt hij tegen Ruben. “Jij hebt de jeugd hier van nul af aan zien opgroeien. En je deed alles, het beheer van het gebouw en het jongerenwerk. Het was jouw levenswerk”.

Ruben neemt het steeds voor zijn opvolger op. Het is de laatste jaren wel minder gegaan met het JOP, buurtbewoners vinden het zelfs een broeinest van criminaliteit geworden. Maar dat ligt niet aan Veenstra. Er is volgens Ruben maar één reden: bezuinigingen. “Otto was in het begin maar voor veertien uur aangesteld, later iets meer. Ik deed het veertig, vijftig uur per week. Privé en werk liepen bij mij volledig door elkaar heen. Van hem wordt in veel minder tijd hetzelfde verwacht.”

Het jongerenwerk hoort vakwerk te zijn, maar het heeft geen smoel meer, vindt hij. Jongerenwerkers mogen het uitvoerende werk, zoals het draaien van bardiensten, vanwege de te hoge personeelskosten, vaak niet zelf doen. Ze moeten dat overlaten aan vrijwilligers. Dat maakt het moeilijk goed contact met de jeugd te krijgen.

Ruben denkt dat hij, of zijn opvolger als die voor meer uren aangesteld zou zijn, de rellen waarschijnlijk had zien aankomen. “Op den duur merk je dat er iets broeit. Er zijn groepjes die smoezen en die stil worden als ze je zien.” Hij zou de vele meelopers wel hebben kunnen overhalen niet mee te doen, denkt Ruben.