Oom agent

Iedere vaderlandse geschiedenis heeft archetypen die alleen door de vaderlanders goed worden gekend, of meer dan dat: intuïtief begrepen, en die door buitenlanders niet worden gekend, laat staan dat ze worden herkend of begrepen. Wij Nederlanders bijvoorbeeld weten niet wat een Geheimrat, een pope, een cop, een flic, een mandarijn is, al hebben we misschien veel over zulke mensen gelezen.

Misschien denken we alleen maar dat ze archetypen zijn, of nòg zijn, terwijl ze in Duitsland, Rusland, Amerika, Frankrijk en China allang zijn vervangen of onherkenbaar gemoderniseerd. Waarschijnlijk herkennen moderne Chinezen een oude mandarijn niet meer; leeft dit type alleen voort in de achterhaalde voorstelling die buitenlanders van China hebben. Er zijn meer Amerikanen dan Nederlanders die meteen zouden weten dat een bepaalde jongen op klompen die ze op straat tegenkwamen, niemand anders dan Hans Brinkers kon zijn.

Een inventarisatie van archetypen per land leert hoe snel de tijd gaat. Bij ons geldt dit vooral voor de agent. Historisch gezien is hij een paradoxale verschijning: iemand die wel respect afdwong maar niet helemaal ernstig werd genomen. Mijn eerste agenten herinner ik me als zware, zwart aangeklede mannen, traag fietsend door de straten gaand - ongeveer zoals Marsman aan onze grote rivieren dacht. Beging je een overtreding dan gebruikten ze eerst hun fietsbel. Was dat niet genoeg dan stapten ze af, het linkerbeen alweer traag en zwaar achteruit over het zadel zwaaiend. Ze zetten hun Fongers tegen boom of lantarenpaal en deden twee of drie stappen in de richting van de ordeverstoring. Die 'zette het op een lopen', 'koos het hazenpad'.

De kinderliteratuur werkt, om het modern-wetenschappelijk te zeggen, archetype bevestigend. Veldwachter Flipse uit Dik Trom is nog het meest gezagdragend, maar ook hij heeft meer van de grote, gewatteerde ordebewaarder dan dat hij gevreesd wordt. Hard lopen kon zo'n man niet eens. Dan hebben we agent Bromsnor uit Swiebertje, met een bedenkelijk IQ. Bij Heer Bommel ontmoeten we commissaris Bullebas en brigadier Snuf. Veel hebben ze in Rommeldam niet te doen. Voor de agent bestaan in het Nederlands wel bijnamen - smeris is de bekendste - maar geen scheldwoorden. Synoniem is diender, dat alleen in combinatie met doje wordt gebruikt. Dan had je nog de koddebeier die stropers ving. Daarmee zijn we in de streekliteratuur beland, en te ver van het onderwerp afgedwaald. Mijn vraag is of het hierboven aangegeven archetype nog wel tot deze tijd hoort.

Wat is het nieuwe? Hebben we er nog een? Ik herinner me wel de dag waarop ik mijn eerste nieuwe agent zag. Het was aan de Nieuwezijds Voorburgwal, een jaar of 35 geleden. De provo's waren op straat verschenen en deden dingen die bij Flipse en Bromsnor niet door de beugel konden. De fietsbel hielp plotseling niet meer. Achteraf besef je pas hoe verrast, misschien geschokt de agent is geweest, de eerste die dit merkte. Het wapen aan het fietsstuur ketste. Er werd hulp gehaald, de knuppel getrokken en gebruikt. Van een balkonnetje waren wij journalisten de getuigen. Ik hoorde de botten van een provo kraken. Een oudere collega zei: 'Zo zo, dat schijnt een weerbarstig heerschap te zijn.'

Meer rellen volgden; plichtsgetrouw stond ik er zoveel mogelijk met mijn neus bovenop. De waterwerper werd ingezet, het laatste, het absolute wapen van het Bromsnortijdperk. Het ding was op zijn vier wielen even log en aandoenlijk als de rijwielagent op twee. De ordeverstoorders gingen achter elkaar in de luwte van een reclamezuiltje staan, draaiden mee in de lengteas van de straal, bleven droog en juichten. Motoren met zijspan werden ingezet, reden over de stoep terwijl bromsnor-in-de-overgang meppen uitdeelde.

Aan de weg naar Haarlem had je een houthandel die reclame maakte met de slagzin Al een kist, krat of vat van de Phoenix gehad? (Heette de houthandel zo?) Nico Scheepmaker dichtte: Al een klap met een lat van een smeris gehad? Als verslaggever aan het front moest ik met beide partijen praten. Zo sprak ik een bromsnor na zijn vuurdoop. Hij, al in leer gekleed, huilde. 'Meneer,' zei hij. 'Ik heb grote kinderen, even groot als die snotneuzen die ik nu een pak slaag moet geven. Begrijpt u wat er in me omgaat?' Voor het eerst van mijn leven had ik een huilende agent gezien; een agent nog wel in leer verpakt.

Het zou nog bijna vijftien jaar duren voor Joop den Uyl bekendmaakte dat het nooit meer zou worden als het geweest was. Pas veel later besef je dat het toen al zo ver was; dat we afscheid moesten nemen van de oude archetypen. Hoewel?

Weer gingen jaren voorbij. Op een zonnige zaterdagochtend liep ik op het Spui, ongeveer op de plaats waar ik prof. Belinfante, toen rector magnificus, had gezien en vooral gehoord terwijl hij de bezetters van het Maagdenhuis tot overgave sommeerde. Deze keer zag ik iemand van wie ik dacht: dat lijkt Starsky wel. Ik zei: Hallo Starsky! Hij zei: Hi! We liepen samen op en gingen bij Hoppe een kop koffie drinken. Toen was Starsky het archetype van de nieuwe agent die bij ons 'jongen van de gestampte pot' werd genoemd: leren jek, spijkerbroek en gympies. Maar: gestampte pot; de verwantschap met bromsnor bleef.

Terwijl ik dit stukje schrijf komt een vertrouwde collega binnen. Ik vertel hem over Starsky en de archetypen. Je hebt toch gelezen dat de agenten van nu een lieveheersbeestjesspeldje op hun pak hebben? Geniaal. Van Flipse tot lieveheersbeestje. Zou de speldjesfabrikant Elsschots Lijmen kennen? De archetypen zijn nog niet verloren.