Mijn moeder alleen

Vandaag vervolgt Koos van Zomeren zijn verkenning van zijn geboortejaar 1946. Vanaf nu bewegen tekst en foto zich onafhankelijk van elkaar rond het keerpunt in deze eeuw.

Mijn moeder was in 1946 vijfentwintig. Mijn moeder - als zij iemand anders was geweest, was ik ook iemand anders geweest.

Ze denkt niet vaak meer aan die tijd. Ze droomt er nooit meer van. Maar als je erover praten wilt... natuurlijk, dat was het jaar dat ze haar tweede kind kreeg. In de nacht van 4 op 5 maart ging ze opoe wakker maken, en opoe maakte opa wakker, en opa ging Köhler halen (Kuler, zeiden ze in Velp), de garagehouder aan het begin van de Kerkallee. Er was die avond wat te doen geweest bij VVO, de voetbalvereniging, en Köhler rook naar drank. En mijn moeder hád al zo'n hekel aan die lucht.

Maar goed, hij rijdt haar naar het ziekenhuis, de Emmastraat uit, de Hoofdstraat over, het Villapark in. Ondertussen was ook dokter Portheine gewaarschuwd. Die zou de bevalling doen. Ach, zo'n dokter als dokter Portheine, zo'n man die (met alle respect) als een uitwonend familielid werd beschouwd, zo'n huisarts die af en toe ongevraagd aan de achterdeur verscheen: ik was in de buurt, ik dacht: ik ga eens even kijken hoe het ermee gaat... dát was 1946.

Opa zou de geboorte gaan aangeven op het gemeentehuis. Een jongetje, dat was duidelijk. Maar hoe moest het heten? Peter Jacob, net als opa zelf. Mijn grootvader: maar als Henk nou niet terugkomt, dan krijg je er spijt van dat je hem niet naar hém hebt genoemd. Mijn moeder: Peter Jacob! En zo ben ik genoemd, zo ben ik gedoopt. Nederlands Hervormd.

Nóg snuift ze van verontwaardiging over het onrecht dat haar in de kerk aan de Kerkstraat werd aangedaan, het gefluister achter haar rug. (Mijn vader: 'Die dominee heeft een fout gemaakt. Die had dat in zijn preek moeten verwerken. Nu stond je moeder in d'r eentje tussen allemaal echtparen, nu was ze een vrouw alleen met een kindje voor het doopvont.')

Als je zwanger was kon je op het distributiekantoor aan de Kastanjelaan speciale bonnen gaan halen. Ze herinnert zich een paar schoenen. Ze herinnert zich brokken druivensuiker uit een Amerikaans hulppakket (lékker joh), en uit datzelfde pakket een eenpersoonsdeken van wollen lapjes waarop in het midden een rood kruis was gestikt. Die wol werd uitgehaald. Daar werden kleren van gebreid. Sokjes, truitjes, broekjes. En tante Sien van ome Gerrit organiseerde een kinderwagen bij een fabriek in Apeldoorn.

Voor mijn moeder was 1946 het eerste jaar dat ze op eigen benen stond. Weliswaar bij haar ouders in huis, weliswaar slechts door een trap gescheiden van de verzuchtingen van opoe, maar toch: haar eigen bedoeninkje, haar eigen gezinnetje, haar eigen baas. Zonder man zelfs. Als ze zegt dat ze 's avonds kaarsjes op tafel zette en ging zitten zingen met Jannie, dan wéét je dat dat waar is - dan voel je de energie, de opgewektheid, de levenslust.

Voor mijn moeder was 1946 een jaar dat een vrouw aan twee kinderen een dagtaak had. Wat denk je alleen al van de was die moest worden gedaan? Dat begon met het aanmaken van de kachel. Al was het hartje zomer. Dat huis, dat was zo vochtig en koud, nooit zon, daar had je gráág de kachel aan.

Was er geen gas dan?

Mijn moeder: 'Ik wou geen gas.'

Dat wil zeggen: ze wou wel gas, maar ze wou er niet voor betalen. Dat wil zeggen: ze wou er wel voor betalen, maar niet aan opoe. Ze vond dat opoe haar toch al veel te veel voor het inwonen liet betalen.

Maar een wasmachine was er niet. Eindeloos gesleep met ketels en teilen, het opkoken van water, het kloppen van zeep, schrobben, spoelen en wringen. Wringen! (En opeens begrijp ik die handen van haar, die handen die niet meer loslieten als ze je eenmaal vast hadden, die handen die nooit problemen hadden met de deksel van een jampotje of de dop van een limonadefles).

De was met knijpers aan de lijn in de tuin of op een houten rekje om de kachel. Alles moest zo gauw mogelijk droog. Je had zo weinig kleren, je moest ze eigenlijk meteen weer aan. En wat denk je van het verstellen, het stoppen, het strijken? Of van de kokosmatten die twee keer in de week naar buiten moesten om te worden uitgeklopt? Een stofzuiger was er ook niet. Het hele huishouden werd met de hand gedaan. En wat denk je van de boodschappen? Een koelkast was er ook niet. Je moest elke dag naar de winkel.

En het gesjouw met de kinderen. Op zondagmorgen lopend naar Arnhem, de Geitenkamp, tante Elly, waar het altijd de zoete inval was. Of voor de zomervakantie, beladen met koffers, met de trein en de bus naar Herwijnen, waar mijn vader vandaan kwam. Of dichter bij huis - zij, mijn moeder, op de fiets, Jannie achterop, ik voorop, en Sjaantje op de step ernaast. Naar Eggink aan de IJssel. Spelen. Of naar het bos. Eikels zoeken. Een emmer met eikels, daar kreeg je geld voor.

Over geld gesproken - 's avonds, vertelt ze, zat ze geregeld te kaarten met opa en Eldik de slager en een zekere Max. Max was zo'n beetje invalide en werkte bij Jansen de groenteboer. Jokeren. De gewonnen centjes gingen in een potje. (Mijn vader: 'Toen ik thuiskwam had ze een rookstoel bij elkaar verdiend.')

Voor mijn moeder was 1946 ook een jaar van de krant spellen. Televisie was er niet, radio had ze niet. De Arnhemsche Courant. Wat gebeurde er aan de andere kant van de wereld?

Een jaar van lange brieven náár Java en lange brieven ván Java.

Mijn vader: 'En dat zijn wij weer, al die brieven hebben we weggedaan.'

Mijn moeder: 'Een keertje had ik vier of vijf weken lang niets van hem gehoord. Toen werd er 's nachts gebeld. Ik zag een man met een platte pet voor de deur staan. Ik brullen. Ik durfde niet open te doen. Maar ze kwamen vader halen voor de AKU. Dan was er malheur met de machines.'

Opa dus. Zo stekelig als ze over haar moeder is, mijn moeder, zo zacht is ze altijd over haar vader.

Opa had in '46 een zenuwontsteking in zijn rug gehad. Eigenlijk, zegt ze, was hij afgekeurd. Maar hij was uiteindelijk naar een magnetiseur geweest, een wrijver, en dat had geholpen. Bovendien: bij de AKU kon hij onmogelijk gemist worden. Die man, die heeft zich dóód gewerkt.