Lang leve het asfalt!

De weg terug. Archeologische ontdekkingen langs de A73 bij Venlo. Henk Stoepker (red.). ISBN 906825197x. ƒ 19,90.

Romeinen langs de snelweg. Bouwstenen voor Vechtens verleden. Wilfried Hessing, Rien Polak, Wouter Vos en Simon Wynia. ISBN 9068251961. ƒ 25.-

Bekermensen aan zee. Vissers en boeren in Noord-Holland, 4500 jaar geleden. Evert van Ginkel en Willem Jan Hogestijn ISBN 9068251848. ƒ 39,90. Alle drie: Uitg. Uniepers.

RONZEN gezichtsmasker, Romeinse mijlpalen, het skelet van een vrouw die 7.000 jaar geleden overleed, een weg uit het jaar 123 n.Chr., een 12.000 jaar oude tekening. Dit is nog maar een greep uit de archeologische ontdekkingen van de laatste tijd. Het is allemaal geen toeval, er zullen veel meer van die 'opzienbarende' vondsten volgen. De oorzaak is het feit dat de Nederlandse bodem door woningbouwlocaties, spoorlijnen, uitbreiding van het wegennet enzovoort, grootschalig op de schop wordt genomen. Links en rechts handelt men, vooruitlopend op de invoering, in de geest van het komende Verdrag van Malta. Wat betekent dat archeologen de kans, en het geld, moeten krijgen om de ondergrond te onderzoeken voordat de geplande werkzaamheden eventueel aanwezige archeologische resten vernietigen.

Door de omvang van de ingrepen in de bodem, en met 'Malta' in het verschiet, is archeologie booming business geworden. Uit de universitaire wereld klinkt al de noodkreet dat hierdoor de mogelijkheden voor zuiver wetenschappelijk onderzoek in het gedrang komen. Alle capaciteit - en het geld - zou naar de toegepaste, de ambachtelijke archeologie worden gezogen. Men vergeet dan echter dat zuiver wetenschappelijke archeologie in Nederland een illusie is sinds de Wederopbouw. Nooit is in Nederland meer een Lustgrabung uitgevoerd, alleen nog noodopgravingen. Redden wat er te redden valt, was het devies.

De hausse aan opgravingen geschiedt in een tijd waarin archeologen om het hardst roepen dat oudheidkundige overblijfselen in de bodem zouden moeten blijven: beschermd en bewaard voor toekomstige generaties en geavanceerdere technieken. Maar de kreet 'Leve het asfalt!' klinkt daar nog net niet overheen. Hooguit doet de gretigheid waarmee de archeologen zich met schop en troffel op de bodem en de geruchtmakende vondsten - en op het geld - werpen, de wenkbrauwen omhoog gaan. De ambivalente houding is begrijpelijk: elke ingreep in de grond is immers ook een archeologische buitenkans. Voor het verdiepen van de kennis over het verleden. Voor het veiligstellen van zaken die anders wellicht onopgemerkt zouden zijn gebleven en door de kaken van de tijd vermalen. Naast de wetenschap heeft daar ook een geïnteresseerde samenleving weer iets aan.

Nu bezit de Nederlandse archeologie een slechte naam op het gebied van het publiceren van onderzoeksresultaten. Zo doet bijvoorbeeld de schatting de ronde dat over nog geen tien procent van de opgravingen naar de Romeinse grensverdediging, de limes, rapport is uitgebracht. Verschijnt er wél een archeologische publicatie, dan is het heel normaal dat dit gebeurt als op de plek van de opgraving al weer een jaar of vijfentwintig een gebouw staat of een weg ligt. En nog in het recente verleden bungelde dan het voorlichten van de samenleving ergens achter die rapportage aan, áls het er al van kwam. Dat de samenleving, de collectieve eigenaar van het archeologische erfgoed, recht heeft op behoorlijke informatie was een nauwelijks levende gedachte.

Wat de voorlichting betreft lijkt er echter sprake van een kentering. De afgelopen twee, drie jaren verscheen de ene na de andere archeologische publicatie voor een 'breed' publiek. En dat over onderzoek waarvan de kuil, zeker naar Nederlandse maatstaven, nog maar net weer dicht is. Neem de opgraving in het traject van A73 tussen Boxmeer en Venlo, die bij de verbreding van de A12 in de buurt van Vechten en het onderzoek in de Noord-Hollandse Groetpolder. Ze werden afgesloten in respectievelijk 1994, 1996 en 1993. Deze winter al liggen de populair-wetenschappelijke uitgaven in de boekhandel. Noord-Limburg van Bronstijd tot Middeleeuwen komt aan de orde in De weg terug. Het is er in al die eeuwen een komen en gaan van mensen geweest. De oorzaken voor die mobiliteit worden duidelijk omdat de auteurs zowel in de tijd als in de ruimte verder om zich heen kijken. Romeinen langs de snelweg behandelt opkomst, lotgevallen en neergang van het castellum Fectio en omgeving en dit in het ruimere kader van de Romeinse aanwezigheid in het midden en het zuidelijke deel van ons land. Een periode, heel veel vroeger, is onderwerp van Bekermensen aan zee. Hier gaat het om de Enkelgrafcultuur (ongeveer 2900-2300 v.Chr.), om de 'opvolgers' van de hunebed bouwende Trechterbekermensen. Dit boek schetst een mooi beeld van de manier waarop men meer dan 4.000 jaar geleden trachtte te overleven in de wetlands van wat nu Noord-Holland is.

Het zijn alle drie verzorgde uitgaven, met aardige illustraties (waarbij vooral de impressies van illustrator Kelvin Wilson in Bekermensen aan zee indruk maken). Wie belangstelling heeft voor dit wetenschapsgebied moet maar ruimte vrijmaken in de boekenkast, want bij een voorlichtingsbeleid op dit niveau is nog veel meer te verwachten.