Kritiek van milieubeweging; Bezwaar tegen behandeling zaak-Schiphol

DEN HAAG, 17 JAN. Advocaat Phon van der Biesen van de milieubeweging heeft zich bij het presidium van de Raad van State beklaagd over de behandeling van de beroepszaken tegen de planologische kernbeslissing en het aanwijzingsbesluit Schiphol. Dit is een zeer ongebruikelijke stap.

Van der Biesen spreekt met name over twee zaken zijn verwondering uit. In de eerste plaats heeft de Raad van State geen advies gevraagd aan de adviseurs van de Raad, iets wat normaal wel gebeurt in complexe kwesties op milieugebied. De adviseurs, die een onafhankelijke positie innemen ten opzichte van het ministerie, bekijken de veelal duizenden pagina's aan bezwaren en rapporten, halen de essenties daaruit, beoordelen die op hun merites en adviseren de Raad daarover.

De Raad weigert de beslissing om geen advies te vragen toe te lichten, aldus Van der Biesen. Het ontbreken van een advies zou er eventueel toe leiden dat de appellanten tientallen deskundigen als getuigen willen oproepen.

In de tweede plaats maakt de Raad plotseling veel haast met de procedure, hoewel geen der betrokkenen formeel om een spoedbehandeling heeft gevraagd. De zittingen voor het beroep tegen de planologische kernbeslissing - de principebeslissing waarin onder meer de aanleg van de parallelle Zwanenburgbaan is geregeld - is voorzien op 9, 10 en 12 maart, en de zittingen voor beroep tegen het aanwijzingsbesluit - dat een uitwerking van de kernbeslissing bevat - op 4, 7, 8, 11 en 12 mei.

Volgens advocaat Van der Biesen zitten deze behandelingen te dicht op elkaar. Om de zittingen over het aanwijzingsbesluit goed te kunnen voorbereiden, moet de beslissing over het beroep tegen de kernbeslissing beschikbaar zijn. Meestal zit er bij zulke complexe zaken meer dan twee maanden tussen zitting en beslissing, dus Van der Biesen acht het onwaarschijnlijk dat er begin mei al een beslissing is.

Hoewel hij het presidium schrijft in het algemeen niet paranoïde van aanleg te zijn, suggereert hij dat de haast van de Raad van State wel de indruk kan wekken dat de beslissing reeds vaststaat. “De nu gekozen aanpak stelt ons vertrouwen op dit punt wel erg op de proef”, aldus Van der Biesen. Hij vraagt onder meer aan het presidium op welke gronden de Raad tot spoedeisendheid is gekomen en wil inzage in eventuele correspondentie die daarover met het ministerie is geweest.

De spoed is des te opmerkelijker omdat het ministerie zeer ruim de tijd heeft gekregen en genomen om een verweerschrift in te dienen op de bezwaren van appellanten. Formeel staat er een termijn van vier weken voor het indienen van een verweerschrift. Het ministerie heeft er, met instemming van de Raad van State, vijf maanden voor uitgetrokken. Vervolgens maande de Raad appellanten om hierop wel binnen vier weken te reageren, hoewel daarvoor geen wettelijke termijn is vastgelegd.

Volgens Van der Biesen komt zo het beginsel van equality of arms dat geldt bij dergelijke procedures, niet tot zijn recht.