Intellectuelen bezielden het verzet in Zuid-Afrika

Wat is honderd jaar na Zola's 'J'Accuse' de taak van de intellectueel? In het Zuid-Afrika van de apartheid bundelden geëngageerde intellectuelen de oppositionele krachten, ze hielpen met het formuleren van doelstellingen en bezielden de twijfelaars, aldus André Brink.

Ten tijde van de apartheid, toen een allesoverheersende ideologie, gesteund door een geducht staatsapparaat, met wrede repressie haar voortbestaan veilig stelde, was in Zuid-Afrika volstrekt duidelijk wat de intellectueel te doen stond: rechtstreekse oppositie. In die barre omstandigheden had ik altijd de indruk dat de schrijver of schrijfster als archetype van de intellectueel de Sisyfusachtige rebel bij uitstek werd, de Antigone die de tiran keer op keer onversaagd haar creatieve, stellige 'nee' in het gelaat werpt.

Daarbij dacht ik speciaal aan Camus - voor mij het toonbeeld van een intellectueel in onze veelgeplaagde eeuw. Veel meer dan Sartre wist hij in zijn engagement in sommige kwesties voortdurend een politieke opstelling te relateren aan een breder intellectueel debat en een fundamenteel moreel standpunt. Als hij al eens weifelde, zoals in zijn roemruchte verklaring van loyaliteit aan zijn moeder, die hij zwaarder liet wegen dan uiterst gewichtige politieke verschillen, dan nog viel op de integriteit van zijn morele overtuiging niets aan te merken. Zijn kaarten lagen altijd op tafel; er was geen verborgen agenda, geen pose of geveinsdheid, geen concessie aan de populariteit, geen arrogantie.

In al die opzichten, waarin hij dikwijls diametraal tegenover Sartre stond, was Camus een toonbeeld van de intellectueel, niet alleen door wat hij zei, maar door wat hij was, en niet alleen - om even naar Sartres terminologie te grijpen - door de 'gebaren' die hij maakte, maar ook door de 'daden' die hij verrichtte. Meer dan de meeste anderen, zo leek mij, liet Camus zien op welke wijze het woord van de intellectueel het gewicht van een daad kreeg.

Ditzelfde deed zich voor tijdens het staatsterrorisme van de apartheid. Dat omspande niet alleen de regimes van Verwoerd, Vorster en P.W. Botha, maar naar de bevindingen van de commissie voor waarheid en verzoening in toenemende mate duidelijk maken, ook het bewind van F.W. de Klerk. Juist omdat intellectuelen - lees vooral: schrijvers - in die duistere jaren werden bestempeld tot vijanden van het regime, werden hun woorden van oppositie, verzet en revolte de kern waaromheen zich de acties tegen dat regime concentreerden.

Zoiets valt nooit gemakkelijk te kwantificeren; welk deel van het succes in de strijd tegen de apartheid op het conto van intellectuele, en met name literaire, activiteiten mag worden geschreven, valt onmogelijk te zeggen. De getuigenissen van de velen die zich in het heetst van de bevrijdingsstrijd hebben bevonden, onder wie president Mandela, maken echter duidelijk dat hun invloed niet mag worden onderschat. Wij weten dat de ingezetenen van de barre gevangenis op Robbeneiland zich staande hielden door een informele, officieuze 'universiteit', waarin iedere gevangene die in een tak van wetenschap thuis was - geschiedenis, economie, recht, letterkunde - de anderen les gaf. Tegelijk werden zij, met veel anonieme anderen buiten de gevangenismuren en aan de overzijde van de vinnige strook blauwe zee die het eiland van het vasteland scheidt, gesteund door de geschriften van een breed scala van intellectuelen: sociologen, historici, economen, dichters en romanschrijvers.

Die geschriften vervulden, langs de rassengrens die het land in tweeën deelde, twee verschillende functies: de slachtoffers van het systeem konden moed putten uit de telkens herhaalde bevestiging dat zij niet alleen stonden in hun strijd; anderzijds was het voor de raciale groepen bemoedigend te merken dat zij aan gene zijde van de scheidslijn, althans bij enkelen, op begrip en solidariteit konden rekenen. Vooral sinds de golf van verzet na de jongerenopstand van 1976 werd de strijd sterk gesteund door de massale opkomst bij concerten, demonstraties en zelfs begrafenissen. Daar werden gedichten voorgedragen of toneelstukken opgevoerd, om de moedelozen een hart onder de riem te steken en hen te prikkelen tot blijvend verzet.

Ik heb eens een anekdote gehoord van de jonge 'strijddichter' Sandile Dikeni. Tijdens zijn gevangenschap maakte hij, om zijn geest te scherpen, iedere dag een gedicht. Wanneer 's avonds de lichten uitgingen, droeg hij dat voor door de tralies van zijn raam, en dan verdrongen alle andere gevangenen en gedetineerden zich bij hun ramen om te luisteren. Pogingen van de gevangenisleiding om daar een eind te maken stuitten op zulk fel verzet dat de cipiers moesten inbinden. Op een ochtend, zo vertelde Dikeni, sprak een medegevangene hem aan over een woord uit het gedicht van de vorige avond dat hij niet begrepen had. Het was het woord soliloquy (alleenspraak). Sandile beloofde daarop geen moeilijke woorden meer te gebruiken. Maar zijn medegevangene antwoordde opgewonden: “O nee, alsjeblieft! Want ik heb nu een nieuw woord geleerd.”

De intellectueel behoeft geen spectaculaire daden te verrichten om indruk te maken; vaak kan de kleinste suggestie van een nieuwe betekenis al een minieme verandering in de blik van ieder mens teweegbrengen die, duizend of miljoen maal versterkt, uitmondt in verandering van de samenleving. Dat hebben wij gezien in Zuid-Afrika.

Veel verschillende daden hebben bijgedragen tot de val van de apartheid: internationale sancties en boycots, binnenlands verzet in fabrieken, onderwijsinstellingen en kerken, toenemende onvrede in het leger van jonge dienstplichtigen, ontstellende corruptie binnen het establishment, escalerend geweld - en daarbij een handje bevoorrechten die het verzet van een reusachtige, onderdrukte meerderheid probeerde te beteugelen. Maar het element dat al deze krachten verbond, waren de geëngageerde intellectuelen die de verschillende stromingen en elementen hielpen verenigen, grondslagen voor gecoördineerde acties formuleerden, doelstellingen bepaalden, en zwakken en twijfelaars bezielden.

Daarbij ging het niet om vage, idealistische acties. Concrete programma's werden opgezet en geleid door organisaties als het Instituut voor een Democratisch Alternatief in Zuid-Afrika (IDASA). Toen daarover in 1987 in Senegal het eerste overleg plaatsvond tussen het ANC in ballingschap en een groep Afrikaner intellectuelen, werd die laatste groep door de regering-Botha voor landverraders uitgemaakt. En het scheelde maar weinig of alle afgevaardigden waren bij terugkeer gearresteerd. Maar doordat na hun terugkeer veel informatie werd verspreid vonden zulke gebeurtenissen veel weerklank in de Zuid-Afrikaanse samenleving. Zo hielp het machtsestablishment zelf - de Afrikaners - mee een binnenlands publiek te informeren over de houding en doctrines van het ANC.

Het ANC werd niet langer als het grote kwaad werd afgeschilderd. En tegelijk werd het mogelijk om het ANC in ballingschap te informeren over een breed spectrum van meningen en standpunten binnen het establishment. Vanaf dat moment hadden aan beide zijden de door decennia van scheiding gecreëerde misvattingen hun langste tijd gehad. En het was een relatief kleine stap naar de onderhandelingen die het ANC aan de macht brachten. Dat hele laatste bedrijf was het werk van intellectuelen.

In het nieuwe Zuid-Afrika is dat allemaal veranderd. En dat heeft op verontrustende wijze aan het licht gebracht hoe precair de situatie van de intellectuelen in de 'vrije' wereld is. Mandela's regime heeft een radicale verandering veroorzaakt in de positie van de intellectuelen. Voor het eerst bevinden zij zich niet meer in de oppositie, maar aan de zijde van het nieuwe machtsestablishment. Bij Mandela's inauguratie werden schrijvers op het toneel genood om uit hun werk voor te lezen aan de honderdduizenden die voor de overweldigende gebeurtenis waren samengestroomd.

Het was een erkenning van de macht van het woord die onder het voorgaande regime ondenkbaar was. Toch zou dat op den duur wel eens net zo ontredderend kunnen werken als bij de Franse socialisten nadat Mitterrand voor het eerst de verkiezingen had gewonnen. Want de intellectueel functioneert optimaal in de oppositie, ook al brengt dat zijn eigen gevaren met zich mee, zoals het gevaar van zwartwitdenken en verregaande simplicatie.

Dit illustreert een cruciaal probleem. Bij onderdrukking lijkt hun optreden doeltreffender doordat zij zich dan kunnen inzetten voor één bepaalde zaak. Met het ANC konden zij zich identificeren tegenover het apartheidsregime. In zo'n situatie is zo'n keuze een keuze voor meer dan één partij: ook voor de vrijheid van meningsuiting, voor de vrijheid om in het aangezicht van de leugen te volharden in het streven naar waarheid, en de vrijheid om in het aangezicht van onrecht te blijven streven naar gerechtigheid.

Maar wanneer de democratie eenmaal gevestigd is, en de intellectueel bij een bepaalde ideologie of factie terechtkomt, brengt dat een inperking van zijn vrijheid mee. Dat is de reden waarom ik het ANC wel kon steunen toen het nog monddood of verbannen was, maar waarom ik nu, ofschoon ik deze beweging nog steeds een warm hart toedraag, geen lid kan worden. Ik maak mij geen illusies over de mogelijkheid voor een individu om in deze wereld werkelijk 'vrij' te zijn, want iedere keuze die wij maken heeft ideologische implicaties. Maar de enige zinnige rol voor de intellectueel in een vrije samenleving is, zo vrij mogelijk te functioneren.

In deze omstandigheden heeft zich in het huidige Zuid-Afrika, waar veel schrikbarend verkeerd loopt - al zijn het idealisme en het overheidsbeleid nog redelijk ongehavend - onder de intellectuelen een verontrustende 'verantwoordelijkheidsafval' voorgedaan. Het is misschien wel begrijpelijk: de algemene houding is 'dat we ze een kans moeten geven', of dat, gezien de nobele strijd die zij hebben gevoerd, 'we de mensen die nog maar zo kort aan de macht zijn, niet te hard mogen vallen'. Maar het gevolg is dat de essentiële waakzaamheid van de intellectuelen, die de voorwaarde vormt voor hun integriteit, is opgeofferd aan opportunisme en toegeeflijkheid. En dat zijn voor iedere intellectueel doodzonden.

De intellectueel die een machthebber het voordeel van de twijfel gunt, tast zijn eigen verantwoordelijkheid aan, want twijfel is het uitgangspunt van intellectueel optreden. Dááruit heeft Erasmus zijn kracht geput, dát bepaalt de grootheid van Cervantes.

Mandela belichaamt alle kwaliteiten waarvoor de ware intellectueel altijd, ongeacht de kans op succes, is opgekomen. Maar wie een oogje toeknijpt bij uitglijders, of zelfs bij aanhoudende corruptie, onbekwaamheid, favoritisme, liegen en draaien, of pure machtsspelletjes - waaraan maar al te veel sleutelfiguren in zijn regering zich schuldig maken - beledigt de beginselen waar Mandela voor staat.

Dat het, zoals mij is overkomen, gebeurt dat je in een smalle straat met eenrichtingsverkeer wordt geconfronteerd met een auto die in de verkeerde richting rijdt, met daarin vijf uit de kluiten gewassen schreeuwlelijken die je toevoegen dat je moet opkrassen, “want wij zijn parlementsleden, wij hebben voorrang”, is ontoelaatbaar. Dat is een aanwijzing dat het met een heel bestel de verkeerde kant op gaat. En in zulke omstandigheden, juist tegenover zulke onbehouwenheid, is het absoluut noodzakelijk dat de intellectueel de stem van de rede levend houdt. Die waarborgt uiteindelijk de menselijkheid en de waardigheid in een wereld waar deze zaken maar al te zeldzaam zijn.