Hoofdcommissaris Nordholt ziet regiokorpsen samengaan; 'Onze dienders verdienen een beter politiebestel'

Nee, hij wil niet praten over de gezagscrisis in Groningen. Dat is zijn korps niet meer en het is nooit zijn gewoonte geweest over een ander dan zijn eigen korps te spreken. Maar af en toe ontglipt hem toch iets wat naar commentaar zweemt. Dat híj in tien jaar Amsterdams leiderschap niet meer dan drie weken onbereikbaar is geweest - een dienstreis door China.

Of dat een politieman natúúrlijk altijd te hulp moet komen als de burger daarom vraagt. “Daar zijn we voor opgeleid.” En ja, hij hééft deze dagen nog vaak aan de IRT-affaire moeten denken, toen hij en zijn korps zelf onder vuur lagen. “Alleen: wij hadden gelijk.”

Een half jaar geleden zwaaide Eric Nordholt af als korpschef van de politie Amsterdam/Amstelland, maar soms verlies je dat even uit het oog. Het verschil is ook zo klein. Zijn werkkamer op het hoofdbureau, de klassieke muziek, het uniform - alles lijkt hetzelfde gebleven. “Ik ben niet eens oud-hoofdcommissaris, ik ben nog gewoon hoofdcommissaris”, zegt hij. Maar dan een zonder korps. Nordholt is nu 'adviseur van de minister van Binnenlandse Zaken voor internationale aangelegenheden' en 'hoofd internationale betrekkingen van het hoofdstedelijke korps'.

Even leek het erop dat hij deze week ook speciaal adviseur zou worden bij de politie van Groningen, die stuurloos is sinds korpschef Veenstra vorige week opstapte. Hij heeft even getwijfeld toen “dat dramatische verzoek” van burgemeester Ouwerkerk kwam: 'Eric, wil je me redden?' Per slot van rekening heeft hij 25 jaar in Groningen gewerkt. Maar hij kon niet meer dan één dag per week vrij maken om orde op zaken te stellen. “Het bleek dat men geen adviseur wilde maar een interim-manager. Dat kost ten minste drie, vier dagen per week.”

Niet over Groningen dus, maar graag wil hij praten over het gezag in Nederland. Krant, radio en televisie zijn nu eenmaal altijd zijn zeepkisten geweest. Om van daaraf zijn collega's moed in te spreken. Want als de samenleving over de politie heenvalt, staat Nordholt pal achter 'zijn dienders', “de jongens en meisjes op straat”. Hij verbetert zich: “'Mannen en vrouwen' moet ik zeggen”, maar hij zal zich vaker verspreken. “Het gaat me aan het hart dat de jongens en meisjes op straat de zwarte piet krijgen toegeschoven. Dienders die geleid worden kun je niet verantwoordelijk stellen voor een leiderschapsprobleem of een bestuursprobleem.” Want dat is waar we het hier over hebben.

De leiding, vindt Nordholt, laat de agent op de werkvloer veelal in de steek. Die is te veel bezig met vergaderingen, beheersproblemen, organisatiestructuren. En de huidige Politiewet geeft hun er de ruimte voor, aldus Nordholt. “De Nederlandse diender verdient een beter politiebestel.” Als dan wordt gezegd: ja, maar de politie is toch net gereorganiseerd en raakt de gewone agent niet helemaal in de war als dat nu opnieuw gebeurt? “Dat is een smoes om de wet niet te veranderen. Het zal de diender een zorg zijn hoe het beheer is geregeld. Verandering van de Politiewet zal een permanente strijd zijn. Op politiek niveau, tussen ministeries. Maar niet met de diender op straat.”

De Politiewet van 1993, zegt Nordholt, is het resultaat van die machtsstrijd: tussen de politie, de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en twee ministeries, Binnenlandse Zaken en Justitie. Die hebben allemaal meer macht gekregen. Ze hebben nu allemaal meer invloed op het beheer van de politie, zonder dat iemand zich afvroeg of de burger daar het meest bij gebaat was, of de veiligheid van Nederland daar het meest mee gediend was.

Nordholts oplossing voor de gezagsversnippering en de daarmee gepaard gaande bureaucratie is: laat iedereen weer zijn eigen werk doen. De burgemeester handhaaft de orde, de hoofdofficier vervolgt de boeven, de politie beschermt de burgers. De zorg voor het beheer - de organisatie, de structuur en de verdeling van mensen en middelen - zou volgens Nordholt moeten worden overgeheveld naar de commissaris van de koningin, die in deze als rijksorgaan optreedt, en de politie moet exclusief ressorteren onder de minister van Binnenlandse Zaken.

“Een stap verder en je hebt een eenheidspolitie”, zegt Nordholt. Volgens hem is het “onontkoombaar” dat de 25 regiokorpsen van Nederland samengaan, willen ze meepraten in de Europese Unie. “Onlangs zag ik in de kranten: 'Politiechefs van Europa praten in Rome over de toestroom van Koerden.' Daar zat geen politiechef van ons bij. Want wie had je moeten sturen? Die van Drenthe? Van Amsterdam? De korpsen die aan de grens liggen? Nu is er iemand van Justitie naartoe geweest.”

Als de minister hoofd van de Nederlandse politie is, heeft hij ook meer mogelijkheden om het leiderschapsprobleem op te lossen. “Een organisatie die jarenlang bezig is met beheerskwesties, soms wel voor negentig procent van de tijd, raakt bevangen door papier, door documenten en plannen. Controle inspireert niet. Visie wel. Als een korpschef alleen maar bezig is met beheer en niet bezeten is van het idee 'hoe krijg ik de stad veilig', dan voelt de agent op straat zich verdwaald en verlaten. Ik denk dat als je de politiemensen er nu naar vraagt, velen zich in de steek gelaten voelen.”

Los het leiderschapsprobleem op en de politie wint weer aan gezag, denkt Nordholt. Nu lijkt het wel of het gezag van alle kanten wordt ondermijnd en de politie wordt uitgedaagd door agressieve jongeren. “Als je mij vraagt of de groepsgeweldsuitspattingen in Nederland weer toenemen, dan denk ik dat dat zo is. Natuurlijk moet de politie zich daarop instellen. Maar ik vind het gevaarlijk om op basis van een paar incidenten bijvoorbeeld te gaan roepen dat de lange wapenstok moet terugkomen. Daar ligt de oplossing niet. Een geweldsprobleem heeft zich nog nooit opgelost door meer geweld.”

Minister Sorgdrager (Justitie) zei deze week dat de politie ook kleine overtredingen moet gaan bestraffen, omdat de normvervaging daar begint. Dat doet denken aan de zero tolerance-doctrine die in Amerika opgeld doet. Nordholt moet er niets van hebben. “Ik hoor dat er hier ook congressen over worden gehouden. Zero tolerance is een cultuurfenomeen uit New York. Dat hoort bij die stad en bij de man die daar leiding geeft. Het past niet bij ons.

“En wat de uitspraken van Sorgdrager betreft: je komt pas aan het kleine toe als je het grote een beetje onder de knie hebt. Je kunt je capaciteit maar één keer verdelen. Zorgen we dat de inbraken minder worden, dat de straatroof minder wordt, of bekeuren we degenen die door het rooie licht rijden? Als je alles wilt, dan doe je niks.”

Het is niet dat hij het met Sorgdrager oneens is. “Als ik het niet eens ben met de minister, dan zeg ik dat. Maar ik ben het eens met de minister. De repressieve druk van een korps is zeer bepalend voor de veiligheid in de stad. Hoe meer er bekeurd wordt, hoe veiliger het wordt. Repressie, correctie werkt altijd normbevestigend. Je moet alleen keuzes maken. Eerst orde op zaken stellen in die gebieden waar mensen het meest worden bedreigd.”

Het doel van de politie is een veiliger Nederland, Nordholt herhaalt het keer op keer. Als dat niet de grootste zorg van de hoofdcommissaris is, laat uiteindelijk ook de surveillant steken vallen. Ook híj heeft zich dertig jaar laten afleiden door organisatorische kwesties, zegt hij. Hij weet nog precies wanneer bij hem de omslag kwam: op 14 januari 1991, om elf uur 's ochtends. Hij weet zelfs nog waar hij stond. Zo'n moment was het.

“In december '90 hadden we in Amsterdam 120 overvallen gehad. Ik dacht: met kerst zal de vrede wel in de mensen terugkeren. Maar dat was niet zo.” Op 13 januari was een school in Amsterdam-Zuidoost het slachtoffer. “Ouders moesten op de grond gaan liggen en onder bedreiging van pistolen geld en sieraden afgeven. Joop van Riessen (lid van de korpsleiding, red.) kwam binnen en zei: 'Heb je dat gezien? Misschien moeten we extra toezicht regelen.' Ik zei: 'Nee, we gaan er iets aan doen.' Ik dacht, als ik hier niets aan doe, kan ik net zo goed weggaan, dan ben ik nutteloos.” Nordholt maakte tweehonderd man vrij om de overvallen te bestrijden. En niemand die vond dat ze beter iets anders konden doen, bonden niet, districtschefs niet, burgemeester en hoofdofficier niet.

Het resultaat is ernaar in Amsterdam. 'Veiligheidsbedreigende delicten', zoals straatroof, inbraak, overvallen, zijn sindsdien structureel teruggedrongen. Nordholt telt de percentages af op de vingers van zijn hand. Het zijn de winstcijfers van het korps, zegt hij, en de trend zet zich voort onder de nieuwe korpschef Jelle Kuiper. Ze zijn te danken aan een op resultaat gericht leiderschap. En vooral aan de instelling van de wijkteams: “Kleine groepen agenten die zich verbonden voelen met de problemen in een wijk.” Daardoor krijgen mensen vertrouwen in de politie, “zo veel dat ze die van informatie gaan voorzien.”

Hij wil er niet van horen dat die oom agent van om de hoek misschien wel vertrouwenwekkend is, maar minder gezaghebbend. Dat kordaat optreden tegen onverwachts, massaal geweld misschien niet zijn sterkste punt is. Dat hij dan misschien zelfs op de vlucht slaat. “Wijkteams hebben niets te maken met softe politie. Door wijkgebonden politiezorg neemt het gezag van de politie toe. Dienders zijn de laatsten die weglopen. Dienders willen helpen. En als ze dat in Groningen niet hebben gedaan, dan moet eerst maar worden uitgezocht waarom niet.”

Wat zal zo'n tevreden politieman nou eigenlijk klagen over de Politiewet? Nordholt aarzelt; hij wil niet afdingen op zijn succes, maar ook niet op zijn stelling dat “het huidige politiebestel niet deugt”. Het hangt samen, zegt hij dan, met de problemen in een stad. “Als de nood maar hoog genoeg is, dan gaat niemand zeuren over beheerskwesties.” En: “Bepaalde tijden brengen bepaalde mensen bij elkaar. Van Thijn, Vrakking, Patijn... Ja, we hebben met elkaar, denk ik, geboft.”