Het jaar van de poen; Is het einde van het poldermodel werkelijk in zicht?

De Nederlandse vakbeweging gaat dit jaar sinds tijden weer met de vuist op tafel slaan. Loonmatiging in ruil voor werk voldoet niet meer - want werk is er in overvloed. Aan de sluipende verarming van de CAO-gebonden werknemer moet een einde komen. '1997 was het jaar van de hebzucht van hoge heren. Komend jaar wil de gewone man meedelen.'

Poen, poen, poen, poen, 't zal je gedacht zijn wat je allemaal met poen kan doen'', zong Wim Sonneveldt halverwege de jaren vijftig op de Nederlandse radio. Toepasselijker kon het niet. Het was een periode waarin poen, meer poen, voor de Nederlandse arbeider binnen handbereik kwam. De naoorlogse economie bloeide als nooit tevoren. Bedrijven wrongen zich in de vreemdste bochten om aan personeel te komen. De vakbonden, die zich tijdens de wederopbouw zeer koest hadden gehouden, durfden weer met forse looneisen aan de onderhandelingstafel te verschijnen.

Zoals het er nu uitziet, wordt ook 1998 na een lange periode van soberheid het jaar van de poen. De Nederlandse vakbeweging, jarenlang murw geslagen door sombere verhalen over de concurrentiepositie van de binnenlandse economie en door de almaar voortgaande golf van saneringen en reorganisaties, zowel bij de overheid als in het bedrijfsleven, ziet eindelijk de kans om met de vuist op tafel te slaan. “1997 was het jaar van de hebzucht van de hoge heren. Komend jaar wil de gewone man mee delen. Daar heeft ie recht op”, zei FNV-voorzitter Lodewijk de Waal vorige week.

Het gaat goed met de Nederlandse economie. Maar het gaat nog beter met de mannen (en de enkele vrouw) die zich in het bedrijfsleven en de overheid op verantwoordelijke functies gemanoeuvreerd hebben. Salarissen van twee, drie ton zijn allang geen uitzondering meer, zelfs van een half miljoen per jaar kijkt in het hoger kader niemand meer vreemd op. De optieregelingen waar premier Kok zich enkele maanden geleden publiekelijk tegen afzette, hebben al meer miljonairs opgeleverd dan de Postcode- en Staatsloterij samen. Bijvoorbeeld bij het bedrijf ASML, toeleverancier voor de chipsindustrie, waar veertig 'kernfunctionarissen' dit jaar samen 430 miljoen gulden aan aandelen mogen verzilveren.

De riante beloningscultuur in het hoger management staat in schril contrast met de soberheid die de afgelopen jaren in het CAO-overleg is gepredikt. In alle sectoren, van de banken tot het bibliotheekwezen en de grootmetaal, beheerste het streven naar loonmatiging de gesprekken over nieuwe collectieve arbeidsvoorwaarden. Bij de banken stelden de bonden - uit angst voor een verder afkalvende werkgelegenheid - in 1994 zelf voor om de collectieve loonsverhogingen vier jaar lang te bevriezen, in ruil voor een verkorting van de werkweek van 38 naar 36 uur. In andere bedrijfstakken en ondernemingen gingen de vakbonden akkoord met loonsverhogingen van een half tot anderhalf procent per jaar, niet eens voldoende om de inflatie bij te houden.

Rituele dans

Aan die sluipende verarming van de CAO-gebonden werknemer moet dit jaar een einde komen. Voor het eerst in lange tijd eist de grootste Nederlandse vakcentrale FNV een loonsverhoging die anderhalf procent boven de inflatie ligt. Aanvankelijk ging de vakcentrale voor 1998 uit van een inflatie van twee procent, waardoor de looneis op 3,5 procent kwam. Op Prinsjesdag bleek echter dat het tempo van geldontwaarding dit jaar eerder op 2,25 procent zal uitkomen. Na enig delibereren kondigde de FNV eind november aan dat de looneis daarom is opgeschroefd tot 3,75 procent. Ook de christelijke vakcentrale CNV en de vakcentrale voor middelbaar en hoger personeel MHP hebben laten weten dat er dit jaar aanzienlijk meer geld in het loonzakje moet komen.

In de maanden die voorafgaan aan het werkelijke CAO-overleg heeft steevast een rituele dans plaats tussen vakbonden en werkgevers. De bonden leggen hun eisenpakket op tafel, waarna de werkgevers, bij monde van hun koepelorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland, laten weten dat “dergelijke voorstellen onbespreekbaar zijn, omdat daardoor de loonkosten veel te veel omhoog gaan en Nederland zich daardoor ten opzichte van het buitenland uit de markt prijst.” Zo ook deze keer. In september vorig jaar zei VNO-NCW-voorzitter “geschrokken” te zijn van de vakbondswens om iedere CAO-gebonden werknemer in 1998 anderhalf procent boven inflatie te geven. “Men realiseert zich onvoldoende dat één procent meer loon, twee procent stijging van de loonkosten betekent”, herhaalde Blankert nog maar eens.

Anders dan in voorgaande jaren is die waarschuwing deze keer niet alleen bedoeld voor de vakbonden, maar ook voor de eigen werkgeversachterban. Want nu het zo goed gaat met het Nederlandse bedrijfsleven, zien ook de ondernemers zelf er geen probleem in om hun personeel daarvoor financieel extra te belonen.Waarom dan moeilijk doen? Langdurig CAO-overleg zorgt voor onrust in het bedrijf, wellicht zelfs voor stakingsacties. En dat terwijl de opdrachten binnenstromen en iedere man en vrouw hard nodig is. Een collectieve loonsverhoging van bijna vier procent - een jaar geleden nog ondenkbaar - komt veel werkgevers nu voor als een koopje.

Een snel akkoord over een nieuwe CAO, met loon als belangrijkste item, zorgt ook op andere fronten voor rust in de tent. Rust, die zowel de werkgevers als de werknemers goed kunnen gebruiken om de effecten van afspraken uit eerdere jaren te verwerken. Voorbeelden: de invoering van de 36-urige werkweek, die tijdens de CAO-onderhandelingen in 1995 en 1996 in veel bedrijven en sectoren is afgesproken, en de versobering van de zogeheten VUT-regelingen op grond waarvan werknemers eerder met hun werk kunnen stoppen.

Vooral de 36-urige werkweek, voor de vakbonden twee jaar geleden nog hèt middel om de bestaande werkgelegenheid over zoveel mogelijk mensen te verdelen,blijkt in de praktijk met veel haken en ogen omgeven. Ruzies op de afdeling over de inroostering van collega's, chefs die duidelijk laten doorschemeren dat het opnemen van de vrije uren funest is voor de carrièrekansen, allemaal factoren die ertoe bijdragen dat de kortere werkweek tot nu toe vooral op papier een succes werd.

Doodsklap

De doodsklap voor de arbeidstijdverkorting is echter gekomen uit onverwachte hoek: de florissante ontwikkeling van de Nederlandse economie en de op zijn minst even spectaculair groeiende werkgelegenheid. In plaats van een overschot aan arbeidskrachten, dreigt nu in veel bedrijven juist een tekort aan werknemers. In de bankensector bijvoorbeeld, waar de werkgelegenheid in de eerste helft van de jaren negentig met tienduizenden banen per jaar terugliep, weten de werkgevers nu van gekkigheid niet waar ze het juiste personeel vandaan moeten halen. In plaats van korter te werken, draaien werknemers in veel sectoren nu al maanden lang werkweken van veertig tot vijftig uur - en dat terwijl ze jarenlang loonsverhogingen hebben ingeleverd voor een werkweek van 36 uur.

De hoge werkdruk, de enorme bedrijfswinsten en de royale vergoedingen voor het management hebben de werknemerssolidariteit het laatste jaar sterk onder druk gezet. 'Tijd en geld, samen delen', riep de Industriebond FNV nog in zijn CAO-nota voor 1996. Begin deze maand maakte de bond bekend af te zien van zijn eis voor een 36-urige werkweek bij Philips, niet omdat het bedrijf er tegen is maar omdat de eigen achterban geen enkel voordeel ziet in korter werken. Twee jaar geleden veroorzaakte diezelfde eis nog een woede-aanval bij oud-topman Jan Timmer van Philips en leidde er uiteindelijk toe dat de bonden van FNV en CNV opstapten tijdens het CAO-overleg.

Bij alle vakbonden, of ze nu horen bij het meer op delen gerichte CNV of de altijd meer op geld ingestelde MHP, klaagt de achterban al maanden over de achterblijvende beloning voor de 'gewone' werknemer. Op ledenvergaderingen herdenken de (veelal oudere) aanwezigen met weemoed de periode dat de vakbond loonsverhogingen van soms wel tien procent binnenhaalde. Werkgevers die dat niet wilden betalen, konden zonder mankeren rekenen op een staking van weken of zelfs maanden.

Massa-ontslagen

Voor veel leden mogen dat rooskleurige herinneringen zijn, in de top van de huidige Nederlandse vakbeweging beschouwt men die periode met afgrijzen. De loon-prijsspiraal die in de jaren zestig en zeventig mede door de vakbonden in werking werd gezet, zorgde in de jaren tachtig voor een golf van faillissementen en niet eerder vertoonde massa-ontslagen. Met effecten die tot ver in de jaren negentig voelbaar waren. Pas na het akkoord in de Stichting van de Arbeid in 1993, waarin vakbonden en werkgevers afspraken maakten over loonmatiging in ruil voor werk, kwam het herstel langzaam op gang. Inmiddels is dit akkoord tot basis gebombardeerd van het, vooral in het buitenland, veelgeprezen 'poldermodel'.

De harde uitspraken van FNV-voorzitter De Waal in de afgelopen weken lijken het bewijs dat het poldermodel in eigen land zijn langste tijd heeft gehad. “We willen krijgen wat we vragen”, zo wist De Waal de werkgevers de afgelopen maand al flink op stang te jagen. Terwijl normaal gesproken zowel de vakbonden als de werkgevers hun eisenpakket in de loop van de onderhandelingen afzwakken, kan daarvan deze keer volgens De Waal geen sprake zijn. De looneis van 3,75 procent is daarmee niet alleen het maximum wat binnengehaald kan worden, maar ook het minimum.

Is het einde van het poldermodel werkelijk in zicht? Of is het trompetgeschal bij de vakbonden vooral bedoeld om de achterban duidelijk te maken dat men hun belangen serieus neemt? Door nu - met stilzwijgende instemming van de werkgevers - een behoorlijke loonsverhoging 'binnen te slepen', krijgen de bonden wat lucht om volgend jaar weer het accent te kunnen leggen op zaken die werknemers weerbaarder moeten maken, zoals scholing en stressbestrijding. Door nu de solidariteit tussen werknemers niet onnodig onder druk te zetten, is het gemakkelijker om diezelfde solidariteit weer op te roepen als het straks economisch tegenzit. Met dank aan het poldermodel.