Het inkomen van de leerkracht

Lesgeven in het basisonderwijs doe je omdat je graag met kinderen omgaat, uit idealisme of je doet het uit maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. Er is in ieder geval één ding waar je het vooral níet voor moet doen, en dat is voor het geld. Want hoewel er de afgelopen jaren wel het één en ander is verbeterd in de lonen van de onderwijzers, zal het basisonderwijs nooit een financiële vetpot worden.

Het inkomen in het basisonderwijs heeft de afgelopen jaren voor heel wat beroering gezorgd. Dat leidde tot massale demonstraties met tienduizenden actievoerders in het Utrechtse stadion Galgenwaard in september 1992 en grootscheepse stakingen van leerkrachten van zowel het basisonderwijs als de middelbare scholen. Reden van het protest: de onderwaardering van de functie van leraar en de daarbij behorende lage salariëring. Uitkomst: een stapsgewijze reparatie van het inkomensgat voor beginnende leerkrachten.

In het basisonderwijs wordt, net als bij andere overheidsinstanties, gewerkt met een zogenoemd schalensysteem. Afhankelijk van de leeftijd, het aantal dienstjaren en de functie binnen het basisonderwijs schuift een leerkracht ieder jaar een stapje op. Die stapjes omhoog zijn gekoppeld aan vaste inkomensverbeteringen. Studenten van de Pabo, de HBO-opleiding die vereist is om eerstegraads leraar te worden, voor het basisonderwijs dus, stappen in op schaal negen en stromen, afhankelijk van hun functie, in maximaal 25 jaar door tot maximaal schaal twaalf. Dan moeten ze het wel tot directeur schoppen. Een 'normale' leerkracht die 25 jaar voor de klas staat eindigt bovenin schaal negen.

Voor het historisch perspectief is het goed om even naar de loonontwikkeling van de afgelopen jaren te kijken. In februari 1992 bleek uit onderzoek een salarisachterstand ten opzichte van andere ambtenaren van ten minste tien procent. Om dat in te halen zou volgens het ministerie van Onderwijs 1,2 miljard gulden nodig zijn. Stond in 1985 het beginsalaris (schaal 9) nog op een kleine 2.300 gulden bruto, dit jaar is dat al 3.978 gulden (inclusief de laatste stijging van 0,75 procent per 1 januari dit jaar). Ter vergelijking: een beginnend verpleger verdient ongeveer 2.800 gulden en een maatschappelijk werker 2.900 gulden. Afhankelijk van de carrièreontwikkeling groeit dat inkomen in 25 jaar naar 5.645 gulden bruto voor schaal negen (25 jaar voor de klas) tot 8.263 gulden in schaal 12 (directeursfunctie op grote basisschool). Sinds 1991 is ruim 2 miljard gulden geïnvesteerd om de arbeidsvoorwaarden voor leerkrachten te verbeteren.

Afgezet tegen de marktontwikkeling blijkt dat, ondanks de drie geforceerde inhaalslagen in 1994 en 1996 en 1997, de inkomensontwikkeling in het onderwijs duidelijk is achtergebleven. Het ongunstige beeld van de algemene salarisontwikkeling wordt echter genuanceerd door de zogenoemde gediffentieerde salarisverbeteringen. De koopkrachtwinst van beginners in het basisonderwijs is sinds 1985 bijna duizend gulden bruto gestegen.

Het probleem van de al jaren rondzingende achterstand, de reden van het massale protest begin jaren negentig, steekt echter weer de kop op als de leraar langer werkt. Na een aantal jaar ligt het salaris van de leraar in het basisonderwijs weer achter op salarissen van mensen met een vergelijkbare opleiding en carrièreverloop in de marktsector. De eerder genoemde verpleger en maatschappelijk werker verdienen na tien jaar evenveel als de leerkrachten en dat verschil wordt groter ten nadele van de laatste. Door de enorm lange carrièrelijn in het onderwijs, 25 jaar tegen 10 tot 12 jaar in de marktsector, stapt het onderwijzend personeel veel minder snel over naar een andere functie, dat zou immers inkomensverlies tot gevolg hebben. Ook voor herintreders wordt het door de lange lijnen onmogelijk om op gelijke voet met hun collegae te komen. Het ministerie heeft de carrièrelijnen voor jonge onderwijzers in 1996 verkort.

“Door de slechte inkomens had het vak een laag aanzien, en daar trek je nu eenmaal weinig studenten mee. Het gebrek aan animo zorgde weer voor een enorme spanning op de arbeidsmarkt, er was een chronisch tekort aan leraren”, aldus R. Kingsma van de Amsterdamse Pabo. Het belang van een goed salaris is evident, stelt hij. “Hoe hoger het salaris, des te meer aanzien heb je en dat is belangrijk voor een opleiding en de hele achterliggende beroepsgroep”.

Oplossingen om de nog steeds bestaande achterstand in te lopen zijn onder meer functiedifferentiatie met kortere carrièrelijnen, het uitruilen van de inkomensschalen en het verkorten van carrièrepatronen. Onderwijsbond AOb geeft toe dat dit radicale ingrepen zijn in het bestaande waarderingssysteem en is dan ook bereid om dit met kleine stapjes te bereiken. De functiedifferentiatie die het ministerie voorstelt, verschillende waarderingen voor verschillende functies in het basisonderwijs, kan bij de achterban van de bonden niet op enthousiamse rekenen. “Het is bijna ondoenlijk de functie van onderwijzer op een basisschool op te splitsen. We wachten nog op de concrete plannen van het ministerie”, aldus een woordvoerder van de AOb

Maar er staan ook nog andere vernieuwingen op het onderwijsprogramma. Zoals in veel beroepsgroepen wordt bepleit, is men ook in het onderwijs bezig met flexibilisering. Zogenoemd sabbatsverlof, ouderschapsverlof, zorgverlof en dergelijke regelingen moeten meer usance worden dan nu het geval is. Ook het inzetten van de zogenoemde uitzendleerkracht is volgens minister Ritzen een serieuze overweging waard. Dat heeft vanzelfsprekend ook gevolgen voor de inkomens van de leraren. Bij de CAO-onderhandelingen in januari 1999 zullen deze aspecten oogstwaarschijnlijk aan bod komen.