Gaatjes met composiet; Het aanbrengen van de vulling blijft een omslachtig karwei

Tandvulsels veranderden van goudfolie, via zilveramalgaam in composiet. Gebruik van dat laatste materiaal spaart gezond glazuur, maar het is lastig aan te brengen.

EEN PROEFSCHRIFT dat verluchtigd is met een advertentie. En wel van de fabrikant van een composietmateriaal waarmee tanden worden gevuld. Een unicum. De Nijmeegse tandarts N.J.M. Opdam verdedigde deze week zijn proefschrift waarin de resultaten staan vermeld van enkele klinische studies waarin het gebruik van composietmaterialen uitgebreid is getest. Opdam ging na of de procedures voor het aanbrengen van composietrestauraties eenvoudiger kunnen. Uit het proefschrift valt op te maken dat dat niet mee zal vallen. Wel krijgen tandartsen duidelijk aanwijzingen hoe zij met het materiaal moeten omgaan om een grote duurzaamheid van de vulling te waarborgen. Bijvoorbeeld tips omtrent het gebruik van etsvloeistoffen om de grenzen van de caviteit te bewerken voorafgaand aan de vulling. Of omtrent het laagsgewijs aanbrengen van het vulmateriaal. Voorts geeft het proefschrift duidelijke criteria om de kwaliteit van de gemaakte vulling te toetsen.

Het vullen van gaten in tanden en kiezen is een gevreesde bezigheid van tandartsen die pas relatief laat in de historie tot ontwikkeling is gekomen. In gebitselementen van opgegraven schedels uit de oudheid worden geen gevulde kiezen gevonden terwijl men wel, met name bij de Phoeniciërs en Etrusken, gouden kronen en bruggen heeft aangetroffen welke thans in Italiaanse musea in Toscane zijn te bewonderen. Van de Zuid-Amerikaanse Maya's was bekend dat zij een techniek bezaten om in voortanden gouden vullingen aan te brengen, maar dat gebeurde waarschijnlijk vooral om cosmetische redenen. Ook in de gebitselementen van mensen uit de Middeleeuwen en de perioden daarna vindt men geen vullingen.

ANDERE VULMATERIALEN

In de periode 1800-1850 werd in de Verenigde Staten zilveramalgaam gebruikt om gaatjes te vullen. De kwaliteit was zo inferieur dat fel verzet ontstond. Tevens werd met andere vulmaterialen geëxperimenteerd, ook in Europa. Daartoe behoorden goudfolie, mengsels van gevijlde zilveren munten die met kwik waren gemengd, porselein en cementen. Door de uitvinding van de trapboormachine in 1871 door de Amerikaan Morrison was de tandarts beter in staat het harde tandweefsel te prepareren en kwam het conserveren van aangetaste gebitselementen meer en meer in de belangstelling. Dat had onder meer tot gevolg dat intensiever gezocht werd naar sterke vulmaterialen die niet oplosten in de mondvloeistof, die lichaamsvriendelijk waren en die voldoende slijtvastheid vertoonden.

Terwijl de technologische ontwikkelingen op het gebied van de boormachines - vooral na 1960 - spectaculair kunnen worden genoemd, duurde de zoektocht naar het ideale vulmateriaal onverminderd voort. Nog altijd is men er niet in geslaagd materialen te vinden die de eigenschappen en de kleur van het harde tandglazuur evenaren. Thans gebruiken tandartsen dezelfde materialen als honderd jaar geleden, met dien verstande dat de kwaliteit aanmerkelijk is verbeterd.

Dertig jaar geleden kwam een nieuw type materiaal op de markt, het zogeheten composiet. Deze materialen bestaan inmiddels uit een matrix van kunststof die gehecht wordt met een vulstof. De kunststof, meestal BisGMA, bestaat uit lange ketens monomeren. Zo blijft, na polymerisatie, krimp beperkt: anders is de kans groot dat de vulling gaat lekken en bacteriën opnieuw de kans krijgen tandbederf te veroorzaken. Verder zijn stoffen opgenomen van belang voor tandkleur en houdbaarheid. Toevoeging van een anorganische vulstof, zoals kwarts, keramiek en siliciumoxide, verbetert de eigenschappen van het materiaal en verhoogt de sterkte en de slijtvastheid van het vulmateriaal. Voorts is op de vulstofdeeltjes een silicaancoating aangebracht die een hoofdrol speelt bij de hechting van de kunst- en vulstof. Dat gebeurt met een lichtbron waarmee de polymerisatie op gang wordt gebracht. De uiteindelijke kwaliteit van de vulling hangt af van de vaardigheden van de tandarts, het gebruikte composiet en de soort lichtbron.

Composieten werden aanvankelijk vooral toegepast als vulmateriaal in de voortanden. Voor gebruik op de kauwvlakken van de kiezen bleek het niet sterk genoeg en te snel te slijten. Gezien de grote mogelijkheden van dit materiaal en zijn fraaie esthetische eigenschappen werden in rap tempo nieuwe types op de markt gebracht. Veel van deze nieuwe materialen zijn onvoldoende klinisch getest. Toch kan men stellen dat tandartsen nu over composietmaterialen kunnen beschikken die ook in de kiezen duurzaam functioneren.

Het gebruik van composiet in kiezen heeft belangrijke voordelen vergeleken met goud en amalgaam. Afgezien van de fraaie kosmetische kwaliteiten behoeft minder gezond glazuur en tandbeen te worden weggeboord, waardoor de gevulde gaatjes kleiner zijn. Er zijn ook nadelen, met name bij het vullen van caviteiten in de kiezen. De procedure van het aanbrengen van de vulling is vrij omslachtig. Voor het vervaardigen van een dergelijke vulling moet het werkterrein vochtvrij worden gehouden, de preparatie moet worden geëtst, er is een hechtlak nodig en de vulling moet in verscheidene porties worden aangebracht om negatieve effecten van hardingskrimp op te vangen. Ook moet de lichtbron steeds opnieuw worden ingesteld en veelal zijn plastic strips nodig om het vulmateriaal bij het aanbrengen op de plaats te houden.

De resultaten van Opdams klinische studie geven aanleiding om op wetenschappelijke wijze de consequenties na te trekken van het invoeren van composietmaterialen voor de dagelijkse gang van zaken in de tandartspraktijk. Hetzelfde geldt de tijd die het vervaardigen vergt, de kosten van dit type zorgverlening en de mogelijke toxische eigenschappen van dit materiaal.

Niek Opdam: Clinical procedures for posterior composite restorations. Academisch proefschrift. KU Nijmegen, januari 1998.