Frankrijk handelde uit angst voor 'Angelsaksisch complot'

De Franse krant Le Figaro heeft deze week een doos van Pandora geopend, waarvan de inhoud onder afrikanisten al bekend was, maar die tot dusver voor het Franse publiek gesloten bleef. Het gaat om bewijzen voor partijdigheid van Parijs in de burgeroorlog tussen de Hutu-regering van Rwanda en Tutsi-ballingen (1990-1993) en voor steun aan Rwandese politici en militairen, verantwoordelijk voor de genocide in Rwanda in 1994.

ROTTERDAM, 17 JAN. De Franse rol in Rwanda is al eerder in kaart gebracht door de historicus en afrikanist Gérard Prunier, als onderzoeker verbonden aan het Centre Nationale de Recherches Sociales (CNRS) in Parijs. Hij publiceerde in 1995 het boek The Rwanda Crisis (1959-1994) - History of a Genocide, dat geldt als hét standaardwerk over de Rwandese Holocaust en dat in het Le Figaro-dossier wordt aangehaald. Prunier schreef het boek demonstratief in het Engels. In de jaren zeventig trok Parijs de voormalige Belgische kolonie Rwanda bij zijn invloedssfeer in Afrika door middel van financiële en militaire garanties die Brussel niet kon geven. In 1975 sloten Parijs en de Hutu-regering in Kigali een overeenkomst inzake militaire samenwerking en in de jaren tachtig is de Franse ontwikkelingshulp aan Rwanda gestaag toegenomen. Na de 'sociale revolutie' van 1959, toen de door de Belgen geprotegeerde Tutsi-elite met geweld werd verjaagd, werd Rwanda een Hutu-staat, die onder president Juvénal Habyarimana (1973-1994) de vorm aannam van een autoritair één-partijbewind.

In buurland Oeganda organiseerden Tutsi-ballingen zich in het Rwandese Patriottische Front (RPF) dat zinde op terugkeer en zich daarbij beriep op schendingen van de mensenrechten door het bewind in Kigali. Op 1 oktober 1990 viel een RPF-leger Rwanda binnen vanuit Oeganda, waar het gevechtservaring had opgedaan in de guerrilla van Yoweri Museveni.

President Mitterrand reageerde als door een wesp gestoken en gaf bevel tot Opération Noroit (noordenwind): 600 Franse paracommando's werden naar Kigali gevlogen. Prunier: “De Franse perceptie was eenvoudig: 'Noroit' diende om een bevriende natie bij te staan tegen een invasiemacht, die achter de schermen werd gesteund door 'Les Angliches' en 'les Ricains' (de Amerikanen) via hun makker Museveni.” Le Figaro schreef dinsdag: “Frankrijk nam in Rwanda de teugels in handen” en “Franse diplomaten en militairen werden onderdeel van een helse machine ter ondersteuning van de Hutu-macht”, uit angst voor een “Angelsaksisch complot”.

Nadat op 3 augustus 1993 in het Tanzaniaanse Arusha een vredesakkoord was getekend tussen het RPF en de regering-Habyarimana, maakten de Franse soldaten plaats voor een troepenmacht van de Verenigde Naties (UNAMIR). Die moest toezicht houden op de naleving van 'Arusha', dat voorzag in een machtsdeling met de Hutu-oppositie en het RPF. Fanatieke Hutu-elementen in regering en strijdkrachten wilden dit voorkomen en troffen minutieuze voorbereidingen voor een slachting onder Tutsi's, die zij beschouwden als de vijfde kolonne van het RPF, en gematigde Hutu's.

Op 6 april werd het vliegtuig van Habyarimana door onbekenden met raketten neergehaald en binnen enkele uren begon een goed geregisseerde massamoord. Op 9 april landden 190 Franse paracommando's in Kigali in het kader van Opération Amaryllis met het verklaarde doel buitenlandse staatsburgers te evacueren. Prunier schrijft dat Tutsi-personeel van de Franse ambassade in doodsnood smeekte het land te mogen verlaten, maar werd overgelaten aan de moordenaars, terwijl veertig kaderleden van Habyarimana's regeringspartij, onder wie organisatoren van de doodseskaders, van de Fransen een vrijgeleide kregen naar het buitenland. Le Figaro toont deze week aan dat het bondgenootschap tussen de ontwerpers van het Franse Afrikabeleid en de planners van de genocide stand hield nadat het moorden was begonnen. Met de machtsovername, drie maanden later, door het RPF viel in 'Francafrique' de eerste dominosteen.