Factoren zelfmoord verhogen ook kans op dood door ongeluk

De indruk bestond al langer, maar nu is het statistisch bevestigd: de psychologische factoren die de kans vergroten op zelfmoord, leiden ook tot een grotere kans op andere vormen van onnatuurlijke dood. Dit concluderen de Nederlandse psychiater J. Neeleman (Rijksuniversiteit Groningen) en twee Britse collega's, S. Wessely en M. Wadsworth van King's College en University College London uit de sterftecijfers onder een cohort van ruim 3500 Britse kinderen geboren in maart 1946 (Lancet, 10 januari).

Zelfmoord vormt aldus de extreme kant van een breed scala van vormen van zelfdestructie, die verband houdt met problemen in de jeugd. In een commentaar bij het artikel vraagt de Britse psycholoog Glyn Lewis zich af hoe dit zelfdestructieve gedrag zich verhoudt tot andere factoren die verband houden met een onnatuurlijke dood, zoals sociaal-economische status en roken. Is bijvoorbeeld roken eigenlijk een vorm van (onbewuste) zelfdestructie die weer verband houdt met problemen in de jeugd? Als we meer weten over deze zelfdestructie, dan zouden we in ieder geval gezondheidsvoorlichting efficiënter kunnen geven, aldus Lewis. “Want als mensen niet veel waarde hechten aan hun leven, doen ze ook niet veel moeite om het te verlengen.”

Neeleman c.s. kon het verband tussen de jeugdproblemen en de verschillende vormen van onnatuurlijke dood leggen, omdat kinderen uit het Britse cohort regelmatig werden onderzocht. Later zijn bij sterfte telkens de doodsoorzaken bijgehouden. Tussen het 16de en 50ste levensjaar zijn er 167 overleden, van wie 47 aan niet-natuurlijke oorzaken, zoals ongelukken, moord of zelfmoord. Bij onderzoek van de dossiers beoordeelde een panel van psychiaters er 11 als zelfmoord (oorspronkelijk had de politie er 8 als suïcide ingedeeld).

De cohortleden die een natuurlijke dood stierven hadden in hun jeugd niet meer emotionele instabiliteit of gedragsproblemen dan wie nog leefde, zo constateerde Neeleman c.s. Maar er bleek wel een verband tussen deze problemen en een onnatuurlijke dood: het sterkst bij zelfmoord, maar nog redelijk sterk bij ongelukken en dergelijke. Bij vrouwen gaven gedragsproblemen de grootste kans op een onnatuurlijke dood, bij mannen waren bedwateren na het vijfde levensjaar en een relatief gebrek aan angst de sterkste factoren. Bangige kinderen met emotionele problemen plegen minder snel zelfmoord, zo is ook uit andere onderzoeken bekend. Angst is een beschermende factor.

Het gaat om een theoretisch verband tussen jeugdproblemen en onnatuurlijke dood. Voor praktische toepassingen gaat het om statistisch te kleine getallen. De psychiaters schrijven dan ook dat het nog lang niet mogelijk is vooraf te voorspellen welke kinderen een hoge kans hebben op een onnatuurlijke dood, door zelfmoord of anderszins.