EU weet niet wat te doen met Algerije

De Europese Unie hoopte lang dat de Algerijnse moorden vanzelf zouden overgaan. Wat kan zij immers doen?

BRUSSEL, 17 JAN. Ieder nieuw bericht over massale moordpartijen in Algerije leidde de afgelopen maanden bij de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie tot dezelfde reactie: we moeten iets doen, maar weten niet wat. Dus gaven ze lange tijd slechts verklaringen uit waarin Algerijns geweld werd veroordeeld. Telkens weer was de hoop dat een nieuwe slachting onder de Algerijnse bevolking de laatste zou zijn - dan hoefde er ook niets meer gedaan te worden, vertelt een diplomaat in Brussel.

Het was de houding als van iemand die hoopt met de aankoop van een staatslot zijn faillissement te kunnen afwenden. Maar met het voortduren van de massamoorden werd die houding onhoudbaarder. Deze week is na veel geharrewar besloten dat er een EU-missie van drie staatssecretarissen van Buitenlandse Zaken naar Algiers vertrekt. Tegelijkertijd worden nu naar veel kanten beschuldigende vingers geheven over de verantwoordelijkheid voor de traagheid van de EU en de onduidelijkheid van haar opstelling.

De EU voldoet onder leiding van de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, plotseling aan eisen die de Algerijnse regering al langere tijd aan de EU-missie stelde maar waarvan Brussel niet wilde weten. Bovendien bleek gisteren Europees commissaris Manuel Marin, verantwoordelijk voor de betrekkingen met de landen van het Middellandse-Zeegebied, bereid om een verklaring af te leggen waarvan het Algerijnse bewind enkele dagen geleden nog niet kon dromen. “Ik ben persoonlijk van mening dat de Algerijnse regering geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor wat er gebeurt”, zei de Eurocommissaris, die volgende week met de EU-missie meegaat.

Hij zei geen woord over het feit dat de EU eerder deze week nog zelf de situatie in Algerije wilde onderzoeken naar aanleiding van berichten dat niet alleen terroristen maar ook de Algerijnse veiligheidsdiensten verantwoordelijk zijn voor moordpartijen. Die wens is door de Algerijnse minister van Buitenlandse Zaken, Ahmed Attaf, als een onaanvaardbare inmenging in binnenlandse aangelegenheden categorisch van de hand gewezen. Marin zei gisteren dat het geen zin heeft om na te gaan of de opstelling van de EU het afgelopen jaar de juiste is geweest. “We moeten nu in dialoog met de Algerijnse autoriteiten aan de toekomst denken,” zei hij.

De Algerijnse kwestie lag in het eerste half jaar van 1997 al op het bord van het Nederlandse voorzitterschap van de EU. Minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo bezocht Algerije bij de voorbereiding van de conferentie van de EU met de Middellandse-Zeelanden, die vorig jaar april op Malta werd gehouden. In de hoop dat het probleem Algerije zichzelf zou oplossen gaf het Nederlandse voorzitterschap van de EU vorig jaar juni een verklaring uit naar aanleiding van de afloop van Algerijnse verkiezingen. Daarin werd de hoop uitgesproken dat het nieuwe Algerijnse parlement de drijvende kracht zou zijn bij een proces van democratisering.

Vervolgens werd de bal doorgeschoven naar de volgende voorzitter van de EU, Luxemburg. Nadat de Luxemburgse minister van Buitenlandse Zaken, Jacques Poos, met ingang van 1 januari de leiding van het buitenlands beleid van de EU had overgedragen aan zijn Britse collega Cook, ontstond plotseling een groot verlangen binnen de EU om iets meer te gaan doen dan verklaringen over Algerije afleggen. Dat had te maken met een nieuwe golf moordpartijen in Algerije kort voor en tijdens de nog lopende islamitische vastenmaand Ramadan. Maar volgens EU-diplomaten hield het ook verband met het feit dat het Luxemburgse voorzitterschap voorbij was. Groot-Brittannië zou veel beter dan Luxemburg in staat zijn om delicate EU-bemoeienissen met Algerije te leiden.

Met name Frankrijk toonde meer vertrouwen in een Britse aanpak dan in die van de Luxemburger Poos. Frankrijk stelt zich tot nu toe wat betreft het Algerijnse drama zeer terughoudend op. Het weet dat Algerije zeer gevoelig is voor de houding van de vroegere koloniale mogendheid Frankrijk. Bovendien wil Frankrijk, waar veel Algerijnen wonen, bij voorkeur voorkomen dat het in eigen land acties uitlokt van Algerijnse terroristen.

Vorig jaar oktober veroordeelden de EU-ministers van Buitenlandse Zaken in een verklaring “het terrorisme en het blinde geweld tegen het Algerijnse volk”, zonder te zeggen wie daarvoor verantwoordelijk was. Een maand later bezocht de Algerijnse minister van Buitenlandse Zaken in Luxemburg zijn collega Poos. Dat bezoek werd gekenmerkt door irritatie over en weer.

Het was de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Kinkel die er begin deze maand bij zijn Britse collega Cook het sterkst op aandrong om iets te doen. Cook begon, voortbordurend op de Luxemburgse aanpak, door de Algerijnse weigering van buitenlands onderzoek naar de moordpartijen te negeren. Algerije wil alleen steun van de EU bij de bestrijding van terrorisme, wat in verband met de vrees voor Algerijnse reacties in Europa moeilijk ligt. Cook wilde EU-ambassadeurs in Algerije onderzoek laten doen naar de achtergrond van de moorden, daarmee aangevend dat de EU er niet zeker van is of alleen terroristen de daders zijn. Onder Algerijnse druk moest Cook zijn plan laten varen. Toen besloot hij dat er een missie van hoge diplomaten in Algerije zou gaan praten en onderzoeken. Ook dat plan heeft hij moeten laten schieten. Algerijnse ministers wilden slechts ministers ontvangen. De Duitse minister Kinkel reageerde geërgerd dat Cook al vanaf het begin kon weten dat Algerije slechts met een EU-missie op het hoogste niveau wilde praten.

Cook meldde na spoedoverleg dat er volgende week een trojka bestaande uit drie staatssecretarissen naar Algerije gaat (namens het vorige, het huidige en het volgende voorzitterschap van de EU). Waarover ze precies zullen praten staat niet vast. Het niet waarschijnlijk dat de EU-lidstaten na deze missie wel weten wat ze moeten doen met de Algerijnse kwestie.