Een koning en een schrijver

E.S. Bergvelt: Pantheon der Gouden Eeuw. Van Nationale Konst-Gallerij tot Rijksmuseum van Schilderijen [1798-1896]. Universiteit van Amsterdam, 14 januari 1998, dl. I 246 blz., dl. II 260 blz. [noten en bijlagen]. Promotor: prof.dr. R.W. Scheffer.

Het Rijksmuseum is in Den Haag begonnen, in een vleugel van het Huis ten Bosch. Vanaf het voorjaar van 1800 kon het kunstlievend publiek daar dagelijks worden rondgeleid langs wat er nog was overgebleven van de stadhouderlijke schilderijencollectie. Het mooiste was in 1795 door de Fransen al meegenomen naar Parijs om in het Louvre te worden geplaatst. Een deel daarvan zou ook nooit meer aan 'Nederland' worden teruggegeven, een pikant voetnootje bij de huidige discussie over het rechtmatig eigendom van de Goudstikker-collectie. De collectie van de stadhouder was al eerder voor het publiek opengesteld geweest - in het gebouw op het Buitenhof dat ook nu weer als schilderijengalerij is ingericht - maar in Huis ten Bosch was er voor het eerst sprake van een als nationaal bezit gepresenteerde verzameling.

De initiatiefnemer was Alexander Gogel, de minister van Financiën van de Bataafse Republiek. Hij hoopte op deze manier de kosten van het onderhoud van de door de Oranjes achtergelaten paleizen en kunstwerken te kunnen drukken. Hij had ze eigenlijk willen verhuren aan een rijke particulier, maar verder dan de verhuur van de andere vleugel van Huis ten Bosch aan een bordeel is het niet gekomen. Gogel was geen cultuurbarbaar, hij had zelfs relatief veel geld over voor het museum, dat hij ook een belangrijke rol toedichtte in het streven naar een verbetering van het zedelijk peil en het esthetische gevoel van de binnen- en buitenlandse bezoekers. Ook zouden jonge Nederlandse kunstenaars veel kunnen leren van het bestuderen en kopiëren van hun grote voorgangers. Dat zou op de langere termijn ook economisch weer de nodige voordelen kunnen opleveren.

De geschiedenis van het Rijksmuseum vóór 1885, het jaar waarin het huidige gebouw in Amsterdam - toen het grootste van Nederland - gereed kwam, is een fascinerend en zeer Hollands verhaal, waarin de rollen toch weer heel anders verdeeld blijken te liggen dan we gewend zijn. De waardering die Thorbecke altijd krijgt voor zijn standpunt dat de overheid niet bevoegd is om te oordelen over kunst, komt toch in een wat ander licht te staan als blijkt dat hij niet bereid was om ook maar het minste bedrag op zijn begroting te reserveren voor het instandhouden van musea of het aankopen van belangrijke kunstwerken. De meest kunstlievende van de Nederlandse koningen, Willem II, besteedde zeer veel geld aan zijn eigen kunstcollectie, maar was volstrekt niet geïnteresseerd in de 'Collectie Nederland'. Hij gaf voor ieder van zijn eigen schilderijen meer uit dan het Rijksmuseum in een heel jaar mocht besteden (en daar besliste de koning toen nog grotendeels zelf over). Niets van zijn verzameling kwam ook in een Nederlands museum terecht. Na zijn dood is alles op de vrije kunstmarkt verkocht om zijn schulden (ettelijke miljoenen) te dekken.

Verrassend in het op langdurig en zeer uitputtend archiefonderzoek gebaseerde proefschrift Pantheon der Gouden Eeuw is ook de conclusie dat het juist twee Fransen, een koning en een schrijver, zijn geweest die zich het meest hebben ingezet voor wat wij nu nog steeds als kenmerkend voor de schilderkunst van de Gouden Eeuw beschouwen. Koning Lodewijk Napoleon liet de hele kunstgalerij naar Amsterdam overkomen en gaf het als 'Koninklijk Museum' een plaats in zijn eigen Paleis op de Dam. Hij zorgde er ook voor dat topstukken uit het Amsterdams stedelijk kunstbezit als de Nachtwacht en de Staalmeesters een plaats kregen in de collectie. Lodewijk Napoleon wilde in zijn streven een goede Nederlandse koning te worden ook een collectie die hoogtepunten uit de vaderlandse geschiedenis te zien zou geven. De koning kocht vorstelijk in voor het museum, in twee jaar tijd gaf hij bijna 250.000 gulden uit aan 250 schilderijen, waaronder een aantal topwerken uit de zeventiende eeuw (meer dan een halve eeuw later zou Thorbecke een bedrag van honderd gulden voor één schilderij per jaar al te veel vinden).

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Lodewijk Napoleon heel graag ook een mooie collectie Italiaanse schilderkunst had opgebouwd, maar dat ging ook toen al de middelen te boven. Hollandse kunst was goedkoop, op enkele uitzonderingen na. Voor een schilderij van Gerard Dou werd door Lodewijk Napoleon nog bijna 20.000 gulden betaald (het zou nu waarschijnlijk tussen een half en een heel miljoen opbrengen), maar voor Vermeers 'Gezicht op Delft' hoefde Willem I in 1822 niet meer dan 3.000 gulden beschikbaar te stellen. Het zou nu op een veiling nog niet voor 30 miljoen te krijgen zijn.

De populariteit van Vermeer en ook van Frans Hals is voor een belangrijk deel te danken aan het werk van Théophile Thoré, die onder de naam William Bürger de 'l'école Hollandaise' (in Frankrijk werd Nederlandse kunst altijd simpelweg als 'école Flamande' aangeduid, nog trouwens in veel Franse musea) verheerlijkte als de 'l'art pour l'homme', de eigen kunst van een republiek van vrije burgers, die vooral geïnteresseerd waren in de weergave van hun eigen leven, land en cultuur. Dat was niet de visie van de Nederlandse kunstliefhebbers van toen, die een sterke voorkeur hadden voor het werk van de Italianisanten, de Nederlandse schilders van zongestoofde zuidelijke landschappen met herders, bergen en ruïnes. In de eerste helft van de negentiende eeuw overheersten bovendien ook nog de esthetische idealen en thematische voorkeuren van het classicisme.

Pas nu begint ook bij het publiek het besef door te dringen dat de zeventiende-eeuwse Nederlanders veel minder hechtten aan wat later als zo typisch Nederlands ook het programma van het Rijksmuseum is geworden. De belangstelling voor historie-schilderkunst, voor aan de antieken ontleende voorstellingen, godsdienstige thema's en elegante portretten leeft op. Dat zie je terug in het aankoopbeleid van de musea en in de herwaardering van onderling zo verschillende schilders als Honthorst, Van der Werff, Van Hoogstraaten of Berchem.

Het Pantheon van de als 'Nederlands' beschouwde schilders verandert voortdurend. Ellinoor Bergvelt laat in haar proefschrift - er is helaas geen handelsuitgave van beschikbaar - de verandering van de smaak, maar ook de uitbreiding van de kunsthistorische kennis zien aan de hand van de wensenlijstjes en de aankoopvoorkeuren van de verschillende directeuren van het Rijksmuseum en het daar lang nauw mee verbonden Mauritshuis. Veel beleidsruimte hadden de directeuren overigens niet, de enige uitzondering was Cornelis Apostool, die onder Lodewijk Napoleon en Willem I in ieder geval nog kon aankopen.

Maar Apostool, die in het inmiddels tot Rijksmuseum omgevormde Trippenhuis (nu de zetel van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen) boven de schilderijen woonde, maakte toch ook mee hoe de opbrengst van een veiling van voor het museum minder belangrijke stukken (Rudi Fuchs was dus niet de eerste die op dit idee kwam) door de koning gebruikt werd om voor het Mauritshuis de (Amsterdamse) Anatomische Les van Dr. Tulp aan te kopen. Zijn - slecht bezoldigde - opvolgers beschikten nauwelijks over middelen om wat te doen en tentoonstellingen werden er toen nog niet gehouden. Het museum was ook meestal dicht en onder Thorbecke dreigde zelfs definitieve sluiting.

De verandering kwam met de benoeming van Victor de Stuers - na de periode Thorbecke! - tot hoofd van Kunsten en Wetenschappen bij Binnenlandse Zaken. Ook De Stuers was geen echte 'Hollander', hij was een katholieke aristocraat uit Maastricht en schreef op eigen initiatief een catalogus van het Mauritshuis in het Frans. Niemand heeft zich echter meer ingezet voor het behoud van het Hollandse erfgoed dan juist De Stuers. Hij deed dat in felle pamfletten ('Holland op zijn smalst' uit 1873 is een fel en ook wel erg gekleurd pleidooi voor kunst als regeringszaak) en was een uiterst effectieve en inventieve ambtenaar-entrepreneur. Zonder hem geen monumentenzorg, geen Rijksmuseum, geen Cuijpers als 's lands belangrijkste architect en geen Vereniging Rembrandt als sponsor van grote aankopen die het budget van de musea te boven gaan. De Stuers was overal, wist alles, had altijd 'potjes' achter de hand en liet de directeur van het Rijksmuseum nauwelijks enige beleidsruimte. Mevrouw Bergvelt houdt niet echt van hem (Apostool heeft duidelijk haar hart gestolen), maar in het laatste kwart van de negentiende eeuw was hij het toch die een eind maakte aan de volstrekte achterlijkheid van Nederland op het gebied van een nationaal kunst- en museumbeleid, zoals dat in alle landen om ons heen al ten minste een halve eeuw bestond.

N.B. Wat de kunst betreft, blijft Holland op zijn smalst. Honderdduizenden zijn lid van natuurmonumenten, maar de Vereniging Rembrandt, het Nationaal Fonds Kunstbehoud, telt maar enkele duizenden leden. Vanaf ƒ 75,- per jaar bent u lid, steunt u de nog altijd zeer kort gehouden musea bij belangrijke aankopen, krijgt u een museumjaarkaart en een mooi tijdschrift. Postbus 14.152, 3508 SG Utrecht.