Eén halen, twee betalen

Een financieel gezegend echtpaar hoedt drie kinderen tussen de 5 en 11 jaar. Voor dat trio willen ze geld opzij leggen, omdat zij verwachten straks voor de studiekosten te moeten opdraaien.

Ze schatten de totale kosten op 162 duizend gulden. Per kind vanaf 16 jaar 2.000 gulden per jaar schoolgeld en vanaf 18 jaar vijf jaar lang 10 duizend per jaar. Wat uitkomt op 54 duizend, voor drie kinderen op 162 duizend en vanaf nu een besparing van 10 duizend gulden per jaar vergt om dat te betalen. Zijn er andere wegen, dan gewoon sparen, die zonder risico's een hoger rendement opleveren?

Antwoord: die zijn er in theorie niet, anders neemt iedereen die weg en spaart er niemand meer. In de praktijk zijn er twee snelwegen: een fictieve en toeristische, en een hele lange weg.

De kaartjesverkopers voor de denkbeeldige tolweg verwijzen spaarders zonder enige schroom naar de beurs en aandelen onder het motto wie spaart is een lulletje en het is leuk, spannend en helemaal van deze tijd. Dat geloven veel mensen, omdat brutale verkopers risicovol beleggen sparen blijven noemen. Hoewel de beurskoersen al maanden kwakkelen en duidelijk meer risico opleveren dan sparen.

De werknemersspaarregelingen bieden een lange, rechte weg van vier jaar die zonder enig risico belastingvrije rendementen van circa 20 procent opleveren. Helaas zijn de bedragen beperkt en moet je werken bij een bedrijf dat deze regelingen aanbiedt.

Het echtpaar dacht zelf al na over alternatieven. Bijvoorbeeld het leasen (huren) van aandelen. Daarover schrijft meneer: “In mijn optiek is dit een moderne truc om mensen die zelf geen middelen hebben te verleiden tot het kopen van aandelen. Het risico ligt bij de deelnemer en de verhuurder loopt geen risico. Is dat zo?

Om met de risico's te beginnen. Een deelnemer loopt zelf het beleggingsrisico op een leasecontract. Dat risico probeert de verhuurder te beperken met aandelen van sterke (meest financiële) bedrijven en een lange contractduur. Daardoor moet een deelnemer er na de aflossing van het geleende geld en betaling van de (aftrekbare) lease-rente positief uitspringen. Zeker is dat niet, want niemand weet wat de toekomst brengt.

Oók de verhuurder loopt risico. Hij beschikt over een organisatie (mensen en middelen) en moet iedere dag reclame maken om nieuwe klanten te trekken, anders zitten zijn mensen stil. Daarom blijft hij zijn aandelen enthousiast pousseren, ongeacht het beursklimaat.

Wie midden vorig jaar op het hoogtepunt van de beurs aandelen huurde, zit nu wellicht op 20 procent, 30 procent verlies, terwijl een nieuwe huurder dát verlies niet lijdt. Daarop bedachten de meeste aanbieders pakketten met garanties (die deelnemers zelf betalen) die eventuele koersstijging 'vast klikken'.

Op zich is het kopen van aandelen met geleend geld al honderden jaren oud. Maar waarom lenen als je zelf over geld beschikt? Wie deze lease-aandelen via de bank koopt, behaalt over een periode van zeg vijf jaar meer rendement dan huren, omdat hij de organisatiekosten en winstopslag uitspaart.

En kijk eens naar de lease-rente. De lange rente schommelt dezer dagen rond de 5 procent. Toch berekenen enkele verhuurders (die zelf ook geld moeten huren) hun deelnemers dik in de 10 procent, tot over de 14 procent. De percentages variëren naar gelang van de kosten die een deelnemer zelf moet betalen. Alleen al op het huren en verhuren van geld moeten ze over de 100 procent, misschien wel tegen de 200 procent bruto winst maken, te verminderen met hun kosten.

Veronderstel dat een deelnemer die 14 procent rente per jaar, zonder rekening te houden met het fiscale voordeel, vijf jaar belegt in aandelen en daar 11 procent per jaar op maakt (verhuurders schermen ook met zulke percentages), dan loopt de waarde op tot bijna 100 procent (14 tegen 11 procent cumulatief). De betaalde rente is dus even hoog als het aankoopbedrag. Wat lijkt op één halen, twee betalen.

Hoe kan het paar iets regelen voor de kinderen? Door iedere maand een vast bedrag in een aandelenbeleggingsfonds te stoppen dat bijvoorbeeld netto 8 procent per jaar gemiddeld maakt. De inleg bereken je door de gewenste toekomstige bedragen per kind contant te maken tegen 8 procent, terug te rekenen naar het begin van hun studie. Per kind zijn dat gelijke bedragen van 44 duizend gulden. Voor de jongste komt de jaarlijkse inleg op 2.800 gulden gedurende 10 jaar, voor de middelste 8 jaar 3.800 gulden en de oudste, die het eerst gaat studeren, 5.500 gulden. De totale maandelijkse fondsinleg komt op 1000 gulden en daalt wanneer de oudste gaat studeren.

Op deze manier houden de ouders alles zelf in de hand, voor het geval de kinderen niet gaan studeren. Samen met hun bank of beleggingsfonds moeten zij een passend fonds kiezen, en nagaan welke gevolgen het overlijden van een of beide ouders heeft voor het vullen van de studiepot. Een dalende verzekering bij overlijden lijkt hier op zijn plaats.