Den Haag overweegt steun aan restauratie Franse 'Dudok'; Respectloos verbouwde idealen

Mooier nog dan het Hilversumse stadhuis vinden sommigen het Pavillon Néerlandais dat de Nederlandse architect Willem Marinus Dudok in de jaren twintig neerzette in de Cité Universitaire in Parijs. Na decennia verwaarlozing maken zijn Franse eigenaren zich nu op voor de restauratie.

PARIJS, 17 JAN. “Een van Dudoks mooiste, meest abstracte gebouwen”, noemt architect Hubert-Jan Henket het Nederlands Paviljoen in de Cité Universitaire in Parijs. Het rechtlijnige, tijdloos moderne gebouw uit 1928 is onlangs op de Franse monumentenlijst geplaatst. Nederland overweegt de restauratie financieel te steunen. Dat is mogelijk geworden dankzij de 'intensivering van het internationaal cultuurbeleid'.

Het Nederlands Paviljoen ligt aan de Boulevard Jourdan 61, in het 14de arrondissement, op een hoek van de 'campus' die Cité Universitaire heet. De wat morsig geworden buitenkant en een gevelreparatie met een verkeerd metaal geven het voormalige 'Nederlandsch Studiecentrum te Parijs' een wat rommelig aanzien. Pas binnen in de hal en rond de stille, begroeide binnenvijver komt Dudok voluit tot zijn recht.

Toen staatssecretaris Patijn (die naast Europese samenwerking ook buitenlands cultuurbeleid behartigt) zich deze week liet rondleiden door het gebouw, werd hij aangenaam getroffen door de onmiskenbaar Nederlandse sfeer die de architectuur uitstraalt, ook al wonen er 150 studenten van 38 nationaliteiten. Zeker in de lichte aula met wandschilderingen van Nederland en Nederlandsch-Indië van de hand van Eppo Doeve en Dudoks eigen veranda-fauteuils, heerst een bijzonder soort jaren '20-optimisme. Van een ingehouden gastvrijheid, ergens tussen Stijl en Amsterdamse School.

Henket, die onder andere bekend is van de uitbreidingen van het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam en Teylers Museum in Haarlem, heeft Dudoks Parijse gebouw kort geleden bekeken. De architect is geïnteresseerd als één van de drijvende krachten achter DocoMomo (Documentation and conservation of buildings of the Modern Movement), een organisatie met werkgroepen in 38 landen die zich beijvert voor twintigste-eeuws architectuurbezit. Hij juicht over deze Dudok, bijvoorbeeld vanwege de lichtinval in de benedenhal en het atrium - “veel beter dan het stadhuis van Hilversum”. Henket roemt verder “de prachtige overgangen tussen trappenhuis en gangen, typisch Dudok; het is allemaal heel ruimtelijk gedaan. Het geheel ligt bovendien mooi in het gebied”.

Waar het aan schort is respect voor wat Dudok en zijn opdrachtgevers voor ogen stond en onderhoud. Sinds het met schenkingen gefinancierde gebouw in 1939 werd opgeleverd, is het oorspronkelijke aantal studentenkamers van vijftig opgevoerd tot honderdvijftig. Dat ging ten koste van kunstenaarsateliers, muziekruimtes, kleine zaaltjes en andere idealen. Bovendien is de buitenkant, volgens Henket, “veel te hard wit overgeverfd, het mist nu de zachtheid van Dudoks kleuren”. De verticale stalen raampartijen zijn dringend aan herstel toe. Zo is er nog wel meer dat aandacht vraagt. “Maar het kan heel goed voor hergebruik geschikt gemaakt worden”, aldus Henket.

Het Pavillon Néerlandais is eigendom van de Cité Universitaire, van Frankrijk dus. De Nederlandse ambassade in Parijs is desondanks op de hoogte gesteld van de beslissing van de Franse monumenten-commissie Dudoks schepping op de monumentenlijst te plaatsen en voor te dragen voor een hogere graad van bescherming die een verplichting tot restauratie met zich meebrengt. Die brief bevatte een open uitnodiging om Nederlandse deskundigheid en inspanning te bundelen met de Franse wil om het gebouw weer in eer te herstellen.

Zonder toezeggingen te doen liet staatsecretaris Patijn doorschemeren dat Nederland belangstelling heeft voor het project. Dudok is een belangrijk vertegenwoordiger van de Nederlandse bouwkunst van deze eeuw. Bovendien is denkbaar dat in de toekomst Nederlandse culturele activiteiten in het gebouw kunnen plaatsvinden. Als de aula een eigen ingang krijgt zouden daar evenementen kunnen worden georganiseerd waar het voorname Institut Néerlandais aan de Rue de Lille te klein of minder geschikt voor is: jazzconcerten, groter opgezette conferenties, typische studenten-bijeenkomsten. Kort geleden zijn alle universitaire docenten Nederlands uit heel Frankrijk bij wijze van experiment in de Dudok-aula bijeen geweest.

De Nederlandse regering kan voor het eerst op beperkte schaal aan dit soort nieuwe activiteiten denken nadat de begrotingsmiddelen voor buitenlands cultuurbeleid met ingang van vorig jaar zijn verhoogd. Vòòr '97 stond er 8 miljoen voor op de OCW-begroting, terwijl Buitenlandse Zaken er 5 miljoen voor uittrok, waarvan de helft opging aan exploitatie van het Institut Néerlandais. Het kabinet verhoogde die middelen met 6 miljoen per jaar. De Tweede Kamer deed daar door het aannemen van een motie-Van Traa nog eens 10 miljoen bovenop. Die laatste verhoging geldt voor drie jaar, maar Patijn acht het normaal dat die verhoging blijvend wordt gemaakt, al kan hij niet over de aanstaande kabinetsformatie heen kijken.

Onderwijs en Cultuur en BZ hebben dus voorlopig 16 miljoen per jaar extra te besteden. Dat moeten zij samen doen. Bewaren van cultureel erfgoed buiten de grenzen is één van de thema's waar de bewindslieden Nuis en Patijn daarbij aan denken. Naast een VOC-schip in Australië en het Slot Oranienbaum, ten zuiden van Berlijn, levert Dudok in Parijs dus een geldig doel op. Hoewel het Franse eigendom van het Studiehuis een wat indirecte rol geeft aan Nederland, zouden geïnteresseerde Nederlandse en Franse architecten best een eerste analyse van wat er moet gebeuren plus een ruwe begroting kunnen maken, denkt men bij BZ. Als het Frankrijk menens is dit gave architectonische werk op te knappen, en later te onderhouden, dan doet Nederland misschien wel mee. Al laten de beschikbare middelen geen ruimte over voor een sam-sam benadering van de 26 à 30 miljoen gulden die volgens een allereerste schatting nodig is.