Bijgevoerde vader roodstaart ontpopt zich tot flierefluiter

Zangvogels die zich uitsloven om een nest jongen groot te brengen lopen aanzienlijk in gewicht terug. Op het eerste gezicht lijkt dat een logisch gevolg van alle inspanningen, waaronder energie-vretende voedselvluchten van en naar het nest. De dieren staan onder stress en kunnen niet zoveel voedsel voor de jongen en zichzelf verzamelen als nodig is; de zorg voor het nageslacht gaat dan tijdelijk ten koste van de ouderdieren.

Maar juist door dat heen en weer vliegen is het denkbaar dat iets anders een rol speelt bij de vermagering: bezuiniging op vlieggewicht. Een genetisch vermageringsprogramma dat in de periode met nestjongen in werking treedt, zou kunnen zorgen voor een vooral in die periode goed uitkomende verlaging van de vliegkosten.

Zwarte roodstaarten (Phoenicurus ochruros) brengen in deze kwestie uitkomst (Ardea 85/2, 211-221). In de Italiaanse Alpen kreeg een aantal broedparen van deze goeddeels monogame zangvogels van ruimhartige onderzoekers van de universiteit van Torino een voedselsupplement. Per nest van vijf jongen werden dagelijks honderd rupsen op een elektronisch weegschaaltje aangeboden, waarbij het gedrag van de dieren en hun gewichtsverloop natuurlijk gevolgd werden. Om ook de oudervogels in een niet-bijgevoerde controlegroep te kunnen wegen, kregen die dagelijks welgeteld één rupsje op een elektronisch presenteerblaadje aangeboden.

De laatste dieren namen inderdaad gaandeweg in gewicht af. Tegelijkertijd bleken de bijgevoerde vogels niets van genetische bezuinigingsprogramma's te willen weten, en namen zelfs in gewicht toe. Ze aten nauwelijks van de rupsen, maar gebruikten die om hun nestjongen te voeren. Hierdoor konden zij het aantal voedselvluchten terugbrengen.

Het is dus wel degelijk de stressfactor die zangvogels in het broedseizoen nog lichter maakt dan ze al waren. Opmerkelijk is dat vooral de bijgevoerde mannetjes het kalmer aan deden. Zij vlogen niet alleen minder, maar lieten ook het voeren van hun jongen achterwege. De vrijgekomen tijd gebruikten zij om te rusten, wat om zich heen te kijken en af en toe te zingen - gedrag dat de onderzoekers alsnog van arbeidsethos voorzien door te veronderstellen dat zij uit waren op het bevruchten van een tweede vrouwtje.

De vaste vrouwelijke partners compenseerden voor die nalatigheid door juist meer voer naar het nest te brengen. Als netto resultaat kregen de jongen van bijgevoerde en controleparen evenveel voedsel binnen. Zij vlogen, al dan niet opgegroeid met een zorgzame vader, in gelijke aantallen uit.