'Ben ik wel links genoeg?'; De Zevende Faculteit in Amsterdam bestaat vijftig jaar

Vijf turbulente decennia lang werd er kritische sociale wetenschap bedreven aan de Politiek-Sociale Faculteit in Amsterdam. Maar de huidige studenten maken het hun vergrijzende docenten niet echt lastig meer.

'Uit de Zevende: Vijftig jaar politieke en sociaal-culturele wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam' door A. Gevers (red.). Het Spinhuis (Amsterdam) 1998. ƒ 40, -

IN DE OUDE binnenplaats van het Binnengasthuis aan de Grimburgwal, hartje Amsterdam, nuttigen studenten koffie en maaltijden onder een reusachtige glasconstructie. Het Atrium vormt het middelpunt van de studie politicologie van de Universiteit van Amsterdam. Een steenworp verderop, voorbij de Oudemanhuispoort, ligt het domein van de antropologen, en nog iets verder, in het Oostindisch Huis aan de Oude Hoogstraat, zetelen de sociologen en communicatiewetenschappers. Samen vormen ze de 50 jaar oude Faculteit der Politieke en Sociaal-Culturele Wetenschappen (PSCW).

Politicologie-docent Werner de Haan is vaak in de kantine van het Binnengasthuis te vinden. Hele dagen brengt deze 56-jarige hardnekkige marxist er discussiërend door. Het leverde hem de bijnaam 'jeugdherbergcentrale' op. De Haan is een van de weinigen die consequent de bevlogenheid van de jaren zeventig uitdragen. Voor zijn oude strijdmakkers heeft hij niet veel goede woorden over: “Die opstandige studenten van toen zitten nu in de academische club. Ze zijn zelf de elite geworden.” De Haan ligt al een kwart eeuw in de clinch met zo'n beetje iedereen op de faculteit - al was het maar omdat hij pertinent weigert te promoveren.

Al sinds de oprichting van deze 'Zevende Faculteit' (van de toenmalige Gemeente Universiteit) in 1948 is er sprake van continue ideologische strijd. Vaak voltrok zich die langs de scheidslijn tussen sociaal-democraten en radicaler links. Aan de PSCW is een confessionele of rechtsliberale hoogleraar altijd een grote zeldzaamheid geweest. Al in de begintijd kleefde aan de toenmalige Politiek-Sociale Faculteit het stigma een opleidingsinstituut van de PvdA te zijn.

De initiatiefnemers, een klein groepje hoogleraren, dachten nog hun linkse politieke sympathieën te kunnen scheiden van de wetenschappelijke praktijk. Die illusie werd meteen de bodem ingeslagen, door ingrijpen van Den Haag. Van de vier voorgedragen kandidaat-hoogleraren (Suys, Kleerekoper, Presser en Baschwitz) moest Jef Suys, die de centrale leerstoel van de 'wetenschap der politiek' zou bezetten, het veld ruimen. Suys, hoewel geen marxist, was te links voor KVP-minister Gielen. In zijn plaats kwam de PvdA'er Barents. Op Barents' eerste college verlieten dertig studenten de zaal. De toon was gezet.

De eerste generatie studenten hield zich nog betrekkelijk rustig, maar de jonge babyboomers die sinds het midden van de jaren zestig massaal de universiteit instroomden, begonnen snel te morren. Zij werden geconfronteerd met een faculteit die niet op dergelijke aantallen was toegerust en met hoogleraren die een traditionele wetenschapsopvatting paarden aan een ouderwets autoritair optreden. Een handvat voor dat protest vonden de opstandige studenten en medewerkers in de volgens hen 'enge' wetenschapsopvatting van zittende hoogleraren als Hans Daudt. Deze politicologen spiegelden zich aan de 'harde' bèta-wetenschappen en zochten naar politieke wetmatigheden, door kwantitatief onderzoek naar kiezersgedrag, politieke partijen en het functioneren van de nationale instituties. De critici, onder meer geïnspireerd door de Frankfurter Schule, vochten deze pretentie van waardevrije wetenschapsvisies aan en propageerden een veel maatschappijkritischer benadering. De hoogoplopende affaire rond politicologie-hoogleraar Hans Daudt werd het symbool van deze strijd tussen de oude garde en de rebellerende studenten.

GENERATIECONFLICT

Naast de inhoudelijke en ideologische tegenstellingen was het een conflict tussen generaties - en levensstijlen - waarin beide kanten een onverzoenlijke houding innamen. Daudt weigerde te discussiëren met zijn tegenstanders, die geleid werden door marxistische studenten als de latere hoogleraar Siep Stuurman. Daudt trok zich terug in zijn eigen werkkamer aan de Herengracht. Anderen zochten een heenkomen naar universiteiten elders. Met hun vertrek verminderde ook de aandacht voor de traditionele thema's van de politicologie, waarmee het onderscheid tussen Amsterdam en de andere politicologie-faculteiten werd vergroot. Toch was volgens politicoloog Philip van Praag jr., die sinds 1967 aan de faculteit verbonden is (eerst als student, nu als universitair docent), de faculteit zeker geen marxistische kaderschool, zoals Daudt in 1973 beweerde. “Ook de sociaal-democraten waren heel belangrijk.”

Ook bij de sociologen waren de marxisten een - luidruchtige - minderheid, vertelt Bart van Heerikhuizen, die net zijn 25-jarig jubileum aan het Sociologisch Instituut heeft gevierd. Terwijl de aanhangers van de Amerikaanse mainstream-sociologie en groepen marxistische studenten en wetenschappers met elkaar de confrontatie aangingen, kwam een derde stroming bovendrijven: de figuratie-sociologie, gebaseerd op de theorieën van Norbert Elias en gepropageerd door hoogleraar Goudsblom.

De politicologen lukte het de laatste decennia minder goed om een eigen gezicht te behouden. Toen politicoloog en filosoof Jan Willem Duyvendak in 1986 op de PSCW kwam werken was hij “verbijsterd over de omgangsvormen. Bij elke vergadering werd gescholden en met deuren geslagen. Aan de ruzies lag een vermenging van persoonlijke rancunes, politieke tegenstellingen en verschillende wetenschappelijke opvattingen ten grondslag.” Geldgebrek en steeds weer nieuwe reorganisaties vormden een belangrijke storende factor.

De conflicten woedden vooral in de kern van de studie: de vakgroep algemene politicologie. Daaromheen bloeiden nieuwe richtingen op. Niet gehinderd door ideologische dogma's werd Communicatiewetenschappen het snelst groeiende hoofdvak. Inmiddels is het de grootste zelfstandige studierichting aan de PSCW. Ook Bestuurskunde, dat al sinds de jaren zestig een onafhankelijke beleidsgerichte koers voer, presteerde goed. Het is samen met Internationale Betrekkingen nu de populairste sectie binnen politicologie.

De algemene politicologie zelf is nog slechts een verzameling specialismen. Van onderlinge uitwisseling tussen de verschillende vakgebieden en disciplines is nauwelijks sprake. In een van de jubileumbundels beschrijft Hans Daudt de politicologen als “voor een groot deel uitgeblust en verder minimaal de helft van de tijd bestedend aan het onderuithalen van elkaar en het torpederen van voorstellen tot vernieuwing, aangevuld door wat slecht begeleide en onderbetaalde AIO's”. Veel waardering heeft Daudt niet voor de huidige generatie studenten. Na een tirade over hun gebrekkige historische, juridische en economische kennis eindigt hij: “Er is na vijftig jaar natuurlijk niets meer over van het ideaal van de brede opleiding algemene politieke en sociale wetenschappen. (...) Het is tijd voor een nieuw begin!”

HERSTEL

De vroegere hemelbestormers worden aldus door hun oude tegenstander bestookt met dezelfde argumenten als waarmee zij hem destijds hebben weggewerkt. Maar de studie is volgens velen al weer een heel eind opgeschoven in de richting van de traditionele politicologie die Daudt altijd voorstond. Ido de Haan, die net als Duyvendak in de jaren tachtig afstudeerde en samen met hem in de jubileumbundel pleit voor het herstel van een 'brede' politicologie: “De studenten krijgen weer de politicologie van dertig jaar geleden voorgeschoteld. Daar schrok ik heel erg van! Die gaat uit van een heel smalle conceptie waarin politiek gelijk gesteld wordt aan de staat.”

Zowel 'mainstream-politicologen' als de nog overgebleven neo-marxisten aan de PSCW gaan naar hun mening voorbij aan het feit dat de nationale staat en zijn politieke instituties als centrum van de politiek aan belang hebben ingeboet. Politieke en maatschappelijke controverses worden op veel meer plekken uitgevochten dan alleen maar in het parlement of bestuurlijke organen. De Haan: “Nieuwe theorieën over de civil society worden nauwelijks in het onderwijs geïntegreerd.” Meer aandacht voor dit soort ontwikkelingen zou volgens De Haan en Duyvendak de PSCW weer een eigen identiteit geven. Als voorbeeld noemen zij het onderzoek naar nieuwe sociale bewegingen. Stond de PSCW in de jaren zeventig nog in het centrum van de jongeren-rebellie, tien jaar later was de aansluiting met de nieuwe generatie actievoerders totaal weg.

Op een enkele politicoloog na waren het vooral Vrouwenstudies, en later de kleinere Homostudies en Etnische Studies, die het postmoderne perspectief uitdroegen. Elders op de PSCW, bij de antropologen, waren post-modernisme en het aanverwante post-structuralisme ook invloedrijk. Sociologie stond er met enige distantie en scepsis tegenover, vertelt Van Heerikhuizen. Hij ziet de postmoderne filosofie op dit moment vooral belichaamd door de studenten. “In de jaren zeventig moest je kiezen. Een figuratie-socioloog kon geen marxist zijn. De studenten van nu laten zich dergelijke keuzen niet opdringen. Zij zappen, surfen, zijn geïnteresseerd in Elias èn Habermas èn Bourdieu. Zo is hun cultuur.” De studenten zijn naar zijn idee niet minder links dan vroeger. “Maar de vraag 'ben ik wel links genoeg' is de laatste die zij zich zullen stellen.”

MEER AFFINITEIT

In zijn werkgroepen merkt Van Heerikhuizen dat de studenten veel meer affiniteit met de postmoderne theorieën hebben dan hijzelf. En dan staat hij er nog open voor, terwijl veel stafleden de postmoderne discussie afdoen als 'kletskoek'. Daar is hij het niet mee eens. “Het stelt de vragen die bij deze tijd horen.” Voorzichtig formulerend (“dit is glad ijs”) voegt hij er aan toe: “De leeftijdsopbouw van de staf is nu erg onevenwichtig. Haast iedereen is ouder dan vijftig. Een beetje levenservaring is natuurlijk goed. Maar studenten van rond de twintig staan anders in het leven dan docenten van 50 plus. Hun associaties zijn heel anders.”

De geschiedenis herhaalt zich. Waren het in de jaren zeventig de jonge radicale studenten die de oude garde van haar troon stootte, nu blokkeren zij de weg voor een volgende generatie en nieuwe ideeën. De meeste van hen - allemaal ongeveer zo oud als de PSCW zelf - erkennen het. Zij proberen hard hun identiteitscrisis te overwinnen en hun oude overtuigingen te doen aansluiten op de hete hangijzers van een nieuwe tijd. De studenten van nu maken het hen niet echt lastig. Zij mogen dan 'postmodern' leven, nadrukkelijke bestudering van dergelijke zware theorieën kan hen niet boeien. Zij denken voornamelijk aan hun beroepsperspectief, een probleem waar de babyboomers niet over hoefden te piekeren.