Algerijns geweld

Michael Stein beschuldigt 'politici' ervan dat zij uitsluitend om electorale redenen meegevoel tonen met de slachtoffers van het Algerijnse geweld (NRC Handelsblad, 10 januari).

Zij huilen krokodillentranen, terwijl ze niet bereid zijn de nodige offers te brengen om het onrecht te bestrijden. Vervolgens zet de schrijver uitvoerig uiteen dat ingrijpen in het Algerijnse drama onmogelijk is. Aldus verwijt hij 'politici' eigenlijk het onmogelijke na te laten.

In tegenstelling tot alle belangrijke mensenrechtenorganisaties vindt Stein een internationaal onderzoek overbodig, aangezien hij de uitkomst hiervan al kent: de meeste moorden worden gepleegd door 'een paar honderd' radicale moslims, maar volgens hem hebben “zonder enige twijfel ook de strijdkrachten en de door de overheid in het leven geroepen zelfverdedigingsmilities verschrikkelijk huisgehouden”.

Welnu, reden te meer voor nader onderzoek om zulke ernstige aantijgingen te verifiëren. Als overheidsdienaren inderdaad zelf medeschuldig zijn aan de moorden is het bovendien zonneklaar waarom de Algerijnse machthebbers het vertikken om buitenlandse pottenkijkers toe te laten.

Daarom is het onbegrijpelijk dat Stein deze halsstarrige houding van het regime rechtvaardigt. Het land heeft volgens hem alle formele kenmerken van een democratie en kan dus te allen tijde inmenging in de binnenlandse aangelegenheden afwijzen. Dit is een ernstige vergissing. Een essentieel onderdeel is een functionerende rechtsstaat en deze ontbreekt ten enen male in Algerije.

Bovendien vormen grootschalige schendingen van mensenrechten wel degelijk een rechtsgrond voor internationale bemoeienis. Hieraan liggen verdragen ten grondslag die ook door Algiers zijn ondertekend.