Zware tijden voor de ideologen van de vrije markt

It's the economy, stupid. Zo luidde Clintons dragende campagneslogan van 1992. Onduidelijk bleef of de kandidaat bedoelde dat de economie het voornaamste zorgenkind was of dat juist alle heil van de economie moest worden verwacht. In de dereguleringshype van het tijdperk-Reagan/Thatcher was vooral de overheid (big government) als schuldige van veel onheil aangewezen.

Een staatsschuld met een rentelast die als een molensteen om de hals van toekomstige generaties hing, was het resultaat. Uiteindelijk heeft Clinton - aangespoord door een vernietigende Democratische nederlaag bij de Congresverkiezingen van 1994 - de tering en de nering weer meer met elkaar in overeenstemming gebracht. Een prestatie waarvoor het electoraat hem in november 1996 een voorschot van hernieuwd vertrouwen schonk.

Na de Koude Oorlog met zijn hogepriesters van het machtsevenwicht, gefundeerd op de wederzijds verzekerde afschrikking en van tijd tot tijd onderworpen aan groot onderhoud tijdens slepende onderhandelingen over wapenbeheersing en vertrouwenwekkende maatregelen, was met de jaren negentig het tijdsgewricht van de economen aangebroken. Of waren het de bankiers die, gebruikmakend van het wegvallen der ideologische grenzen en de openlegging van nieuwe financiële markten, zich opwierpen als pioniers van de globalisering? Althans, dit laatste begrip suggereerde dat er nu een echte wereldmarkt was ontstaan waar financiers en ondernemers het voor het zeggen hadden. Niet gehinderd door bijziende en enghartige nationale overheden heetten zij de welvaart van de metropolen te spreiden tot in de verste buitengewesten.

De ideologen die geen ideologen meer mochten worden genoemd, volgden de pioniers. De markt, of beter: de vrije markt met zijn concurrentie, haalde het beste in de werker naar boven. En als vanzelf ontwikkelde dit uit het staatscollectief of de achterlijkheid van weleer losgeweekte individu zich tot een zelfbewuste en kritische burger die vervolgens samen met al die andere nieuwe burgers de middengroepen vormde, grondslag voor een geglobaliseerde democratie. Zoals gezegd, die denkwijze mocht geen ideologie worden genoemd, gebaseerd als zij zou zijn geweest op praktische feiten, maar natuurlijk was de redenering, met haar voorziene onvermijdelijkheid van de uitkomst, wel degelijk ideologisch bepaald.

Nog mooier werd het geschetste toekomstbeeld door de aanname dat democratieën onder elkaar geen oorlog voeren. Als bewijs voor die stelling is aangevoerd dat de bestaande democratieën dat inderdaad niet doen. Dat dit iets te maken zou kunnen hebben met de actuele machtsverhoudingen binnen die categorie kwam niet op in de hoofden van de bedenkers van dat axioma. De fantasie van individuele en nationale ontplooiing, gevrijwaard van de bekende ontmoedigende bijverschijnselen van geweld en oorlog, is ten slotte te mooi om aan al te kritisch onderzoek te worden onderworpen. Toen kanselier Kohl in klassieke termen oorlogen een mogelijke uitkomst van een mislukking van het verenigd Europa noemde, is hem dat niet in dank afgenomen.

Tegen deze achtergrond is de 'Aziatische crisis' meer dan panne op de snelweg naar de 21ste eeuw. Globalisering blijkt een branding waarin de oplopende golven ook weer terugvloeien. Naarmate de crisis zich verdiept en verbreidt groeit de vrees dat de back lash van de globalisering de metropolen, waar het fenomeen is bedacht en bevorderd, niet ongemoeid zal laten. In ieder geval is het triomfalisme van gisteren geheel verdwenen uit de commentaren van vandaag en zijn de ideologen van de ongebreidelde markt zelfs elkaar in de haren gevlogen over de vraag wat de beste remedie is: nog meer markt of juist correctie. De pioniers van de afgelopen jaren staan inmiddels te boek als avonturiers die bij hun gold rush geen aandacht hebben gehad voor de risico's van hun handelen.

Maar belangrijker dan de weerslag van de Aziatische crisis op de beurzen van New York, Amsterdam en Frankfurt is de kater van de Aziaten zelf. Hun leiders hadden toegezegd dat in het jaar 2000 de eeuw van Azië zou beginnen. Europa had zijn tijd gehad, Amerika had zijn hoogtepunt nu wel bereikt. Het hoogste gebouw van de wereld stond in Kuala Lumpur. En plotseling, van de ene dag op de andere, bleken de internationale financiers, de speculanten, een einde te kunnen maken aan wat een eindeloos Aziatisch wonder had geschenen. De cijfers wijzen uit dat Japanse banken de eerste verantwoordelijken zijn voor de kredietexplosie waarvan Indonesië en Zuid-Korea slachtoffer zijn geworden. Maar de schuld wordt toegewezen aan de Amerikanen, aan het rijke Westen, dat opzettelijk en met veile bedoelingen de Aziatische grondvesten zou hebben ondermijnd.

De politieke scherven van het Aziatische debacle moeten nog bijeen worden geveegd. De black box van de ramp is nog niet gevonden, laat staan dat een onderzoek naar de achtergronden is begonnen. De commentaren zijn op hun best speculaties en dienen vooral tot bedaring van de gemoederen. Zonder lemmingengedrag is het allemaal al erg genoeg. Iedere dag brengt nieuwe cijfers en vergroot de calamiteit. Een voorspelling als: de verhouding van de Verenigde Staten, van het Westen met zijn wereldomvattende instellingen en ideologie, tot een eventueel hersteld Azië zal niet meer zijn wat deze is geweest, klinkt niet bezijden de realiteit.

De harde maatregelen die de op de rand van het bankroet wankelende landen worden opgelegd, vervreemden de Aziaten verder van het Westen. De betrokken regeringen kunnen moeilijk anders dan de adviezen volgen, willen zij de volgende dag halen. De presidentsverkiezingen in Zuid-Korea zijn eind vorig jaar gevierd als een overwinning van de democratie. Op hetzelfde moment onderwierpen Zuid-Korea's regering en parlement zich aan van buitenaf opgelegde bezuinigingsmaatregelen waaraan zelfs geen schaduw van een brede maatschappelijke discussie is voorafgegaan.

In Indonesië, sinds midden jaren zestig bestuurd door een op zelfverrijking gerichte familie-oligarchie, lijkt de jarenlang in nepotisme en corruptie gewortelde cohesie nu verloren te gaan. Wie daar straks de macht in de staat zal komen opeisen, is hoogst onzeker. Maar ook daar wordt de malaise aan de trouweloosheid en de hebzucht van het Westen geweten.

Azië meende zijn lot in eigen handen te hebben genomen. De ontnuchtering is nog maar net begonnen. De ideologen van de markt hebben iets uit te leggen.