WAT IS HET STIL HIER HÈ!!; Dirk van Weelden praat de wereld aan elkaar

In 'Orville', de roman van Dirk van Weelden, verzamelt de hoofdpersoon zijn vrienden in een Frans landhuis, waarop de hele clan uit elkaar valt. Voor volgend weekend heeft Van Weelden zijn eigen vrienden uitgenodigd om samen met hem een tweedaags programma te vullen in theater De Balie in Amsterdam. “Ik ben zo'n hufter die anderen dingen voorhoudt als waarheden, terwijl ik me daar zelf helemaal niet aan hou!”

Dirk van Weelden: Orville. Uitg. Meulenhoff, 270 blz. Prijs: ƒ 34,90. Orville, Special Edition. Zat. 24 jan. 17-24u., Zo. 25 jan vanaf 15u. De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10, Amsterdam. Res. (020) 55 35 100.

“Bijna twee jaar geleden belde Chris Keulemans, directeur van cultureel centrum De Balie in Amsterdam me op. Of ik een keer wilde meewerken aan het 'Theater van het Nieuwsbericht', een weekend waarin een invité de programmering van De Balie mag verzorgen. 'Oh', zei ik, 'je bedoelt dat ik de sleutel van De Balie krijg en kan doen wat ik wil?' Ja, daar kwam het wel op neer, zei Chris. Toen ben ik gaan nadenken. Wat doe je als je de sleutels van een huis krijgt? Als de ouders weg zijn en de drankkast vol, wat dan? Dan geef je natuurlijk een feest, een groot feest voor je vrienden! Dat gaat het worden, volgend weekend, een enorm feest waarop een aantal van mijn vrienden iets doet waar ze goed in zijn.”

En dus zal 'geluidskunstenaar' Gert Jan Prins in het weekend van 24 en 25 januari zijn zenders, monitoren en radiotoestellen in de kelder van De Balie installeren om zes uur lang zoveel mogelijk ruis te produceren. Ondertussen onthult Rob Scholte op de verdieping erboven zijn schilderij van De verzoeking van de Heilige Antonius, laat Manel Esparbé i Gasca een gedeelte uit zijn 'sensorische opera' Reconstructie van de Neus horen en houdt Matthijs van Boxsel een lezing 'Over de noodzakelijke domheid van de constitutionele monarchie'. De bezoeker kan door het gebouw dwalen, luisteren naar een lezing, kijken naar een beeld van Van Weeldens vriendin Annemie Stijns of dansen op muziek van Speedy J. Daartussendoor, als een soort deus ex machina, zal Van Weelden zelf lopen, maar vooral is hij aanwezig in de geest - het weekend wordt een zelfportret waarbij de geportretteerde in de coulissen blijft.

Het is dan ook geen toeval dat de opzet van het weekend sterk lijkt op die van Van Weeldens laatste roman Orville. Daarin treffen we een schrijver aan die zeven vrienden en vriendinnen uitnodigt om met hun kinderen naar een Frans buiten te komen. In zijn uitnodiging kondigt deze Orville al aan dat hij op de eerste avond een voordracht zal houden; zijn vrienden nodigt hij uit op de daaropvolgende avonden iets soortgelijks te doen 'in dienst van de vriendschap en onze vakantie'. En zowaar, ze laten zich verleiden. Vriend Peter vertelt een avond lang over een imaginair kunstproject voor Amsterdam-Zuidoost, vriend Marcus laat heimelijk gemaakte foto's zien; echtgenote Vera houdt een lang leugenverhaal waarin Orville de hoofdrol speelt. En hoewel Orville dus in zijn opzet lijkt te slagen, valt het gezelschap gedurende de vakantie uiteen. Er wordt ruzie gemaakt, een van de kinderen verdrinkt bijna en langzaam merkt Orville dat er van zijn gedroomde 'clan' weinig heel blijft. Pas als hij op het einde van het boek met zijn hoofd tegen een walnootboom knalt, komt Orville tot het inzicht dat wat hij zocht allang gevonden was - maar of dat hem nu veel verder brengt houdt Van Weelden open.

Hoewel Orville volgens Van Weelden 'gewoon lekker' gelezen moet worden, is het ook een vreemd, wat ongemakkelijk boek. Hoofdpersoon Orville lijkt een Don Quichot van de vriendschap, die door zijn vrienden ondertussen wordt bejubeld als een genie. Bovendien duikt in intermezzo's een mythisch wezen op dat de gedaante van een wolf, een roerdomp of een jachtopziener aanneemt en dat als doel lijkt te hebben om het gezelschap rond Orville te verdelgen. Orville lijkt daarmee te gaan over de betrekkelijkheid van de orde die mensen in hun leven aanbrengen, maar af en toe slaagt Van Weelden er zo goed in dat thema te verbeelden dat je het gevoel hebt dat de roman hem uit handen glipt. De verwarring die dat oplevert wordt des te groter doordat de persoon Orville soms verdacht veel op de schrijver lijkt, vooral als Orville in het boek zichzelf beschrijft: 'In huizen, in café's, op feesten, in auto's, op straat en zelfs in bed ben ik iemand die vraagt en vertelt wat er gebeurt, wat er gebeurde. Iemand die hardop denkt. Mijn hersens, mijn mond, ze schakelen gezichten, woorden, geluiden en feiten aan elkaar. Onophoudelijk. Tot jullie er gek van worden en me smeken mijn bek te houden. En als ik mijn bek houd, gaat het schakelen door in mijn hoofd, op papier.'

Als ik Van Weelden spreek op zijn werkkamer, in het centrum van Amsterdam, blijkt bovenstaande beschrijving goed op hem te passen: terwijl hij praat schiet hij naar voren of naar achteren in zijn stoel, zwaait met zijn sigaartje in het rond en regelmatig springt hij op om papieren uit een map te trekken. Een grote stroom van woorden, gedachten en associaties produceert hij, die je als luisteraar meesleept, maar ook nogal uitput. Dat laatste merk je alleen pas na afloop want Van Weeldens enthousiasme werkt aanstekelijk.

De kritieken op 'Orville', waren niet bijzonder enthousiast. Alsof de critici niet goed wisten wat ze met die verwarring aanmoesten.

“Daar begin ik aan gewend te raken. Ik heb nu vier romans geschreven en iedere keer zeiden de critici dat het vorige boek beter was. Ze moeten blijkbaar telkens weer wennen.”

Hoe zou dat komen?

“Ik denk dat ik last heb van mijn imago - of eigenlijk hebben mijn boeken daar last van. Ik ben geen klassieke schrijver, zo een die alleen maar met literatuur bezig is, die literaire boeken schrijft en zich alleen over literatuur uitlaat, zo'n klassieke schrijver met een bohème-uitstraling...”U bedoelt A.F.Th. van der Heijden?

“Ja, die heeft ook van die wapperende manen, waardoor hij al snel iets van een Victor Hugo krijgt. Vind ik hartstikke goed hoor, maar het is zo overzichtelijk. Bij mij gaat het anders: ik schrijf niet alleen literatuur maar alles door elkaar; of het literatuur heet kan me niet schelen. De literatuur is alleen mijn uitvalsbasis. Ik schrijf stukken voor de TU in Delft, maak de aria's voor een opera, schrijf artikelen voor NRC Handelsblad en ben redacteur van Mediamatic, het tijdschrift voor nieuwe media. Daardoor is het beeld van mij ontstaan van een overenthousiaste bemoeial met een veel te grote bek. En daar houden ze in Nederland niet van - branchevervaging, bah!”

Die omschrijving 'bemoeial met een grote bek' past ook goed bij de persoon van Orville.

“Maar Orville is geen zelfportret. Het zit anders: de figuur Orville belichaamt een periode die ik heb doorgemaakt en die ik heb afgesloten. Daardoor kan ik hem ook goed afbeelden, in zijn downheid, met dat manische gedrag. Orville is een clown, die in het eerste deel van de roman uitglijdt over zijn eigen bananenschil, en die vervolgens in het tweede deel vertelt dat hij als oplossing een banaan heeft uitgevonden waarover je niet kunt uitglijden. Orville is op zoek naar een waarheid, naar verbroedering tussen vrienden. Maar zonder dat hij het beseft zit hij daar al middenin.”

Bent u niet bang dat u de verwarring rond Orville zo goed op de lezers hebt overgedragen dat ze zelf in de war raken?

“Nee, ik denk dat een mogelijke verwarring komt doordat de auteur van Orville een heel andere is dan die van mijn vorige boeken. In Oase of Mobilhome kon je de hoofdpersoon zien als spreekbuis van de schrijver, maar in Orville gaat dat niet zo makkelijk. In dit boek ben ik gaan feestvieren: voor het eerst heb ik me vrijelijk bediend van wat de literatuur aan mogelijkheden biedt. Als schrijver heb ik me opgesplitst: ik zit in Orville, in dat mythische wezen en tegelijk geef ik daar commentaar op. Ik bedien me niet meer van die ene stem - het is ook geen boek in de traditie van het realisme. Het boek heeft zijn eigen wetten.”

Ondertussen maakt de persoon Orville in het boek toch een duidelijke gedachtenontwikkeling door.

“Nou, Orville's gedachten over het leven veranderen niet, maar de relatie tussen de gedachten en de situatie waarin hij zich bevindt, veranderen ingrijpend. Uiteindelijk gaat het in Orville om iets subtielers: het vinden van geluk door wat ik maar een 'geïnspireerde dwaasheid' noem. De behoefte het leven te willen snappen, een verlangen naar inzicht. Vroeger geloofde ik dat het ageren tegen vanzelfsprekendheden moreel gesproken het allerhoogste was wat je kon doen. Ageren tegen het geloof, tegen alle vormen van bezwering van het leven. Ik dacht daar heel filosofisch over en kon me verschrikkelijk boos maken op, zeg, antroposofen. Nu zijn dat ook wel de ergsten: geen stof, geen kleur, geen briesje of het heeft wel een betekenis in hun hogere harmonie der sferen. Ik wilde daar tegenin, en geloofde dat zulke tegenstand moreel superieur was.”

Dat veroordeelt u tot eeuwige twijfel.

“Nee, geen twijfel, maar 'gretig ongeloof'. Het hele idee van evenwicht, van zekerheid, van geloof, waar wij mensen ons zo graag aan vastklampen vind ik een zoogdierachtig misverstand. Evenwicht is stilstand! Sinds Orville ben ik er achter dat het allermooiste wat een mens kan bereiken is, om inzicht en plezier te halen uit het telkens opnieuw opbrengen van ongeloof tegenover de dingen, tegenover hoe je ze geleerd hebt en hoe je ze gewend bent. Ik wil de wereld permanent ondervragen. En dan niet als een ernstige kwestie, als: 'dan dringen wij door tot de werkelijkheid achter de werkelijkheid'. Nee, het is stomweg een manier om meer plezier te hebben in het leven. Alle zekerheden verdwijnen, en dat levert mooi vuurwerk op. Ik wil ondertussen naar de hemel kijken en genieten.”

Maar hoe gaat dat in zijn werk? Bij Orville zien we al dat het niet meevalt: die maakt een enorm gedachtebouwwerk, en in de praktijk blijkt hij een enorme blinde vlek voor zichzelf te hebben.

Van Weelden schiet omhoog: “Zo'n blinde vlek heb ik juist ook, daar gaat het om! Ik ben ook zo'n hufter, die voortdurend dingen nastreeft en anderen dingen voorhoudt als waarheden terwijl ik me daar zelf helemaal niet aan hou!”

Heeft u daar een voorbeeld van?

“Nou, gewoon... in ruzies met mijn vriendin ofzo.”

A zeggen en B doen?

“Meer woedend achter haar aanrennen, de deur intrappen, haar bij de kladden grijpen en schreeuwen: 'en nu gaan we eens rustig praten!'. Een wat extreem voorbeeld oké, het is ook alweer een tijd geleden. Maar goed, ik doe zulke dingen wel, aan de lopende band zelfs.”

Filosofie als een excuus voor het eigen falen.

“Nee, want tijdens die ruzies komt er meestal een moment waarbij ik zie wat ik aan het doen ben. Plotseling, als in een flits. De aanleiding kan heel lullig zijn: een eenvoudige belediging, of doordat de telefoon gaat en iemand vraagt: 'wilt u een abonnement op Het Parool' - echt! Op zo'n moment zie ik ineens dat het hele bouwwerk in mijn hoofd niets te maken heeft met het onderwerp van de ruzie. Een moment van diepe schaamte is dat: je hebt je ingegraven in een standpunt en ineens zie je dat daar niks van klopt. Maar dat geeft ook ontspanning: er hoeft even niks meer. En terwijl de ander de argumenten blijft herhalen die ze al een uur herhaalt, hoor ik er ineens heel andere dingen in. Op zo'n moment zie ik dat ik op gruwelijke wijze het slachtoffer ben van een door mezelf gecreërde blinde vlek. En het gekke is, die ontmaskering, daar voel ik me altijd goed bij.”

Hoe komt dat dan?

“Het geeft een sensatie van beweging, maar misschien is het een calvinistische vorm van het geweten: het op zoek gaan naar die plek waar iemand zegt: jouw manier van denken houdt hier op, je zit opgesloten in een idee en laat dat nou eens tot je doordringen. Ik ga daar vrij ver in: ik heb de neiging mijn vrienden daartoe uit te dagen. Daarom behandel ik ze vaak slecht. Slechter in ieder geval dan de mensen waarmee ik rationeler om ga. En dan komt er een moment waarop ik een ram voor m'n kop krijg - zelf uitgelokt. Zo gaat dat volgens mij ook met kunst: of je nu glas blaast, liedjes schrijft, of boeken maakt: je zoekt naar het moment waarop het kunstwerk je ideeën op hun kop zet. Het zoeken naar dat punt, dat is volgens mij liefde.”

Is dat niet een wat ingewikkelde vorm om uiting aan liefde te geven?

“Nee, want ik ben ervan overtuigd dat het een soort evolutionaire drive is. Zo leren dieren en zo leren mensen, zo overleven ze. Door het bijstellen van de vaste patronen, door het veranderen van patronen omdat er nieuwe informatie beschikbaar is gekomen. Als je iemand daarmee durft te confronteren, als je die beweging wilt - dan hou je van die persoon.”

Dus is bevestiging een slecht teken.

“Daar kan ik me heel eenzaam bij voelen ja. Dan heb ik het gevoel dat ik niet tot iemand doordring en de wereld niet tot mij. Dan laat iemand zijn eigen gedragspatroon niet werkelijk gelden - blijkbaar vindt hij dat niet de moeite waard. Maar intussen ben ik op het punt beland dat mijn eigen objectieve werkelijkheid me geen fuck meer kan schelen. Als we met z'n allen zitten te hallucineren, wat dan nog?”

Dat klinkt wel erg relativerend. Durf je dan nog wel standpunten in te nemen?

“Ik ben er juist steeds meer aan toe om wel standpunten te hebben. Ik durf steeds meer uit te gaan van mijn eigen passies. Orville is daarin heel belangrijk geweest. Dat boek was een bevrijding: ik laat zien hoe iemand, een iemand die ik zelf ook geweest ben, kan vastlopen in zijn eigen gedachtenspinsels.”

Maar wat is er dan in de praktijk veranderd?

“Voorbeelden genoeg. Allereerst heb ik na Orville voor het eerst geen last gehad van een inzinking. Als mijn vorige boeken klaar waren, de recensies verschenen en de directe aandacht weg was, raakte ik altijd gedeprimeerd: wat wil ik nou, hoe moet het verder, dat soort vragen. Daar heb ik nu geen enkele last van gehad, want dat weekend in De Balie bracht me in contact met mensen die me duidelijk maakten dat mijn werk iets teweeg brengt, dat mensen er iets door gaan maken of ondernemen. Ze betrekken het in hun werkelijkheid. Dat effect is een van de hoofdpunten van het opstel van mij dat deze maand in De Revisor staat. Het heet 'De Integralist' en je zou het als een programmatisch stuk kunnen beschouwen, waarin ik zeg wat ik wil met de literatuur.”

En, wat wilt u met de literatuur?

“Ergens in dat stuk staat: (hij pakt een stuk papier en leest voor) 'Literatuur is er niet omdat literatuur zo mooi en belangrijk is, maar om zo te schrijven dat er iets buiten-literairs gebeurt in de harten en hoofden van de lezers.' Ik ben nu al begonnen aan mijn volgende boek, dat in het najaar moet verschijnen. Dat is geen roman, maar het bestaat uit een aantal dossiers. Ieder dossier is een assemblage van verhaalfragmenten, beschouwingen, brieven en notities. Een ervan ontstaat bijvoorbeeld uit mijn nieuwsgierigheid naar het verband tussen de stijl van Kerouac en Burroughs, bepaalde fotografie als die van Robert Frank, en bepaalde muziek. Het idee is dat ik niet vanuit een onderwerp vertrek, maar dat ik het verbindende element tevoorschijn schrijf.”

Als u dat zegt, denk ik: dat is ongeveer zoals u praat. Alsof u de wereld aan elkaar wil praten.

“Ja, ik ben een beetje zoals die man in het bos die tegen zijn metgezel roept: WAT IS HET STIL HIER HÈ!! Maar daar kwam ik pas achter toen ik met Orville begon. Dat was een omslagpunt. Ik wilde gaan schrijven en van alles gaan beweren, en plotseling hoorde ik de stilte - ik besefte dat het allemaal niets uitmaakte. Maar hoe vertel je dat zonder de stilte te verbreken? Dat heb ik in Orville proberen te beschrijven: er vindt een omslag in je leven plaats, je ziet het hele patroon uit elkaar vallen waarop je leven is gebaseerd - en wat dan? Orville ging over het opkrabbelen uit die put. Dat soort levensbeschouwelijkheid is in mijn volgende boek niet meer aan de orde.”

Is dat vele praten dan uw manier om de werkelijkheid te bezweren?

“Nou... praten is voor mij zoiets als muziek maken. Ik doe tadaduaaa, tadaduaaa en dan hoop ik (trommelt op tafel) dat de ander boembedoembedoem doet, zodat we elkaar vinden en er iets ontstaat. Een soort synergie, zoals in een goede improvisatie. Het liefst heb ik dan dat die ander halverwege iets heel anders gaat doen, waarop ik weer kan inhaken. Dat zijn de allerleukste gesprekken: die waarbij je elkaar 'omhoog stuwt'. De beste vrienden zijn ook de mensen met wie ik het lekkerste 'toeter'. Daarom verwacht ik zoveel van het weekend in De Balie: daar gaat een aantal vrienden van mij lekker doen waar ze goed in zijn. En omdat het mijn vrienden zijn moet dat wel fantastisch werken - dat kan gewoon niet anders.”