Wandelen langs zijpaden

Richter Roegholt: Het goud van de wandelaar. Over de geschiedenis van Amsterdam. Atlas, 199 blz. ƒ 39,90

Een paar jaar geleden heb ik Richter Roegholt als wandelaar in actie gezien. Hij leidde belangstellenden rond door zijn oude school, het Vossiusgymnasium in Amsterdam. De stadshistoricus wervelde door de gangen en hield kleine colleges bij alle kunstwerken die hij tegenkwam. Rauwe feiten werden opgekookt tot een mooi verhaal, snufje literatuurgeschiedenis erbij, wat elementaire kennis van de architectuur of de onderwijspolitiek - en dat alles vermengd met zijn eigen ervaring als leerling in de oorlogsjaren. Het publiek, mond open, hoefde alleen maar te luisteren. Het was helemaal van de leraar die zo fijn vertellen kon.

De weerslag van de rondleiding van toen staat nu in Roegholts bundel Het goud van de wandelaar. Tochtje en stukje zijn typerend voor alle artikelen die hij hierin heeft samengebracht. Dat we het nu eens hebben over de kunstwerken op die ene school, daar zit geen andere noodzaak achter, dan dat de auteur er toevallig over wilde vertellen. En hij weet nog wel meer mooie verhalen.

Van verzetsman Gerrit van der Veen, bijvoorbeeld, haalt hij een vooroorlogse heldendaad op. Hij schetst de houding van de Universiteit van Amsterdam in het eerste oorlogsjaar (niet zo heldhaftig). Hij vertelt iets over de geestelijke problemen van joodse kinderen die de oorlog bij pleegouders hebben overleefd. En over twee radicale plannen om de benauwde straten van de Pijp te slopen.

Zo staan in de bundel elf artikelen - Roegholt noemt ze essays, daar zijn ze misschien toch wat te faits-diverselijk voor - die stuk voor stuk afkomstig lijken uit bladen voor de liefhebbers van de geschiedenis van de stad: Ons Amsterdam of Amstelodamum. Of ze daar ook inderdaad uitkomen is onduidelijk, maar ze zijn zeker eerder gepubliceerd; Roegholt meldt in zijn Voorwoord ferm dat hij 'verminkingen' ongedaan heeft gemaakt: 'De meeste redacteuren kunnen het niet laten artikelen te bekorten, de aanhef of de conclusie te schrappen en juiste termen te vervangen door kleurloze clichés.'

Ook zo'n opmerking is typerend, ze is de hartenkreet van de liefhebber die nooit genoeg krijgt van zijn onderwerp. Maar als ik lees hoe Roegholt sommige stukken begint, kan ik me de aanhef-schrapbehoefte van deze of gene redacteur wel voorstellen: 'Gerrit van der Veen werd in 1902 geboren te Amsterdam in de Runstraat op nummer 10.' Of: 'In 1992 werd van 23 tot en met 25 augustus in de RAI te Amsterdam een congres gehouden onder de titel 'Het ondergedoken kind'.'

Roegholt schrijft hoe de stukken zijn ontstaan; het waren zijpaden die hij bij zijn geschiedschrijving over Amsterdam na 1900 links moest laten liggen. Nu is hij die paden nog eens opgewandeld om daar 'onontgonnen goud' op te rapen. Hij is bescheiden genoeg om erbij te zeggen: 'Zo'n exercitie op de vierkante meter is niet wereldschokkend, maar wel erg bevredigend, omdat de stof erdoor tot rust komt.'

Zonder af te doen aan de historische gegevens die Roegholt hier presenteert, kun je je afvragen of hij iets wezenlijks aan de (bijvoorbeeld aan zijn eigen) geschiedschrijving van Amsterdam toevoegt. Liefhebberij, dat lijkt me de beste kwalificatie voor deze bundel. Je kunt het al een beetje opmaken uit het grote aantal foto's dat afkomstig is uit de 'eigen collectie', of kortweg 'eigen foto' is. Of aan het feit dat de eerste twee namen in het register die van 'Achilles' en 'Agamemnon' zijn. Het goud van de wandelaar is van een ouderwets soort geleerdheid. Van de leraar die zo fijn vertellen kon.