Waar de popmuziek geweest is verdort het gras; Glorie, glorie, glorie, gloria; De Nederlandse carrière van de krontjongmuziek

Veel van de 'liedjes van school, club, kerk en kamp' die opgenomen zijn in de bundel 'My Bonny is over the Ocean' kent Rudy Kousbroek nog. Maar waarvan? “Niet van 'club en kerk”. Er staan vijf krontjongliedjes in: “Veel te weinig”.

'Het herinneren van dingen waar ik sinds 1946 niet meer aan gedacht heb' - dat is de geheime bron van emoties die ik min of meer dag en nacht bewaak.

Uit de aard der zaak is het rendement gering. Een recente vangst was het plotseling herinneren van het refrein:

Glorie-glorie-glorie-gloria Zwart zijn de meisjes van Batavia Glorie-glorie-glorie-gloria En de meisjes van Batavia zijn zwart, pikzwart.

Daar had ik werkelijk sinds mijn jeugd niet meer aan gedacht. Het wonderlijke is dat zoiets tot aan het tijdstip van wederkeer niet te onderscheiden is van voorgoed vergeten dingen; het lag er onherkenbaar tussen, gebleekte beenderen in de woestijn; en dan is het opeens terug, springlevend, alsof er een wonder is gebeurd. Een halve eeuw gereduceerd tot een ogenblik.

Het bovenkomen van deze herinnering werd veroorzaakt door het laatste bundeltje van Jacques Klöters, My Bonnie is over the Ocean, waarin een variant van deze regels voorkomt. My Bonnie is een soort vervolg op In die grote stad Zaltbommel, van dezelfde samensteller (en dezelfde uitgever, Nijgh & Van Ditmar), ook een bundel met teksten van wat omschreven wordt als 'liedjes van school, club, kerk en kamp'. Een hoogst eigenaardig genre in feite: poëzie kun je het eigenlijk niet noemen en de muziek ontbreekt; het is iets er tussenin, dat vrijwel geen status heeft. Wat mij het meest verwondert is dat ik bijna alles wat in die boekjes staat ken.

Ken, of tenminste herken, want de charme van die bundeltjes bestaat voor een groot deel uit het restitueren van ontbrekende regels van gedichten die je je niet precies meer herinnert. Maar het mysterie blijft: waar ken ik die gedichten, al is het onvolledig, dan toch van? Niet van 'club of kerk', en ook niet van 'kamp' in de hier bedoelde betekenis. Het is een verrassende illustratie van de realiteit achter het woord 'populair': al die teksten - de pastoor sien koe, in het land van de Chinezen, aan de oever van de Rotte, de uil die op de peerboom zat, naar Oostland willen wij rijden en de grote sultan (voor 3 stemmen) - al die teksten leven toch kennelijk in de Nederlandse populaire cultuur; of leefden, tot voor kort, want hoeveel ervan nu nog bekend is bij jeugdige Nederlanders weet ik niet (ik zie het somber in: waar de popmuziek geweest is verdort het gras).

Oempa kwé

Wat mijzelf betreft: het meeste moet ik hebben leren kennen als kind in Nederlands-Indië; ik herinner me de busreizen met de Internaatskinderen wanneer de vakanties begonnen, zingend als nachtegalen - het vertrek 's morgens vroeg, in het donker, de koele berglucht die door de bus waaide, de hemel verkleurend als parelmoer, en de meisjesstemmen die zongen: oempa kwé poelené poelenaski, en zwart zijn de meisjes van Batavia.

Een van de bronnen was vermoedelijk ook de radio, en in de internering werd ook nog vrij veel gezongen, vooral in het begin. En dan was er natuurlijk de zangles op school, Kun je nog zingen zing dan mee; teksten daaruit vind je ook in Zaltbommel, maar lang niet allemaal en sommige op wonderlijke wijze bekort en verminkt. De conclusie moet ook eigenlijk luiden dat er nog veel meer liedjes in mijn herinnering rondspoken dan er in die bundeltjes staan; dat geldt niet alleen voor Zaltbommel, maar ook voor My Bonnie, dat de teksten bevat van soortgelijke Franse, Duitse en Engelse liedjes die blijkbaar in Nederland gangbaar waren. Waar ken ik die dan van? Sommige, zoals 'Il était un petit navire', 'Plaisir d'amour', 'Ah vous dirai-je maman', en 'La cantinière' ken ik van mijn vader, zoals ook allerlei nonsensrijmen in diverse talen. En al dat Duits, hoe kom ik daaraan? Liederen als 'Hör mein Lied Violetta', 'Adieu mein kleiner Garde-Offizier' (niet in het boek overigens) ken ik van de Zondagochtenden in het zwembad van Siantar.

In My Bonnie staan ook nog wat andere talen: 'Santa Lucia', 'Avanti popolo' (waar ken ik dat in vredesnaam van?), 'Shalom chawerim', 'Rosen fra fyn'. Maar geen 'Zwarte ogen', geen 'Rode sarafaan', ook geen Bellmanliederen (daar kom ik nog op terug); wel de teksten van een paar krontjongliedjes - vol spelfouten en vooral veel te weinig (maar vijf liedjes), in aanmerking genomen hoe groot het repertoire is en hoe diep verweven met het Nederlandse verleden.

Maar het is een bescheiden, verlegen kunstvorm, die zich gemakkelijk heeft laten verdringen door de opmars van het Grote Gestamp. Alleen al het inzicht dat het ondenkbaar is om krontjongliedjes 'knoerthard' te spelen maakt duidelijk dat het genre gedoemd was het onderspit te delven: zelfs op de jaarlijkse Pasar Malam in Den Haag overheerst nu meer en meer de muziek die het van het oorverdovende lawaai moet hebben, waaronder 'Indo-Rock', iets dat op zijn beurt trouwens weer weggeduwd wordt door agressievere vormen van muziek.

Het heeft ook iets met authenticiteit te maken. Indo-Rock is iets dat zich niet in Indië maar in Nederland ontwikkeld heeft; aan de andere kant kun je niet zeggen dat de krontjongmuziek door zulke latere ontwikkelingen is verdrongen, er zat al sinds lang de klad in. Daarmee bedoel ik dat alleen een paar puristen geïnteresseerd waren in de authentieke vormen ervan, de oorspronkelijke krontjong- en stamboelmuziek; de meeste mensen waren tevreden met vulgaire en sentimentele verbasteringen ervan, en dat is de vorm waarin het nog steeds commercieel verkrijgbaar is (het neigt tegenwoordig, ik ben benieuwd of iemand anders dat ook heeft opgemerkt, steeds meer naar Weense driekwartsmaat-cum-gejodel).

Drukfout

Een eigenaardig voorbeeld mag illustreren hoe het doorknippen van de navelstreng al van lang geleden dateert: al voor de oorlog verscheen er een bladmuziekarrangement (door Willem Ciere) van een paar van de meest populaire krontjongliedjes. Daarbij was ook het slaapliedje 'Nina bobo', volgens sommigen van Portugese oorsprong, en volgens anderen een oude verbastering van 'Slaap kindje slaap'. In dit liedje komt een regel voor, luidend: 'kalau tida bobo digigit njamoek', als je niet gaat slapen zul je gebeten worden door de muskieten. In dat arrangement van Willem Ciere werd het woord 'tida' (= niet) per ongeluk afgedrukt als 'aida', een woord dat niet bestaat in het Maleis en mallotig klinkt voor wie de taal verstaat.

Deze vooroorlogse drukfout is daarmee aan een heel eigen Hollandse carrière begonnen. Bijna alle latere versies hebben dat woord 'aida', het is een soort gidsfossiel geworden; ook in My Bonnie staat het. Het erge is dat je het ook zo hoort zingen, door krontjong-ensembles van in Holland geboren Indo's, compleet met batik shirts en kembang sepatoe's in hun haar; dan hoor je met veel overtuiging dat 'kalau aida bobo..' uit hun monden komen; weten zij veel.

Helaas, er zit de klad in van welke kant je het ook bekijkt. In Indonesië kun je van die kleine muziekdoosjes kopen om in een wieg te hangen. Alle grote winkels van ons vroegere Batavia ben ik afgeweest om er een te vinden met de melodie van 'Nina bobo' er op; niet te krijgen, het is allemaal 'Schlafe mein Prinzlein' wat de klok slaat. Veel erger is dat er hier in Nederland met de erfenis van die krontjong- en stamboelmuziek met hartverscheurende onverschilligheid wordt omgesprongen. Het wemelt tegenwoordig van de Indische instituten, studiegenootschappen en onderzoekcentra, maar tot de dag van vandaag hebben die niet één serieuze uitgave van de teksten van deze liederen geproduceerd, laat staan van de muziek. Er zijn een of twee redelijk goede cd's, zoals Krontjong Classics, samengesteld door de redactie van Moesson (Polygram 1992), maar echte archiefuitgaven bestaan niet.

Als troost verscheen eind vorig jaar een aardig in eigen beheer uitgegeven bundeltje van vijftig krontjongliedjes onder de titel Uit de zak van de Tjelana Monjet, samengesteld door Huib Deetman en geïllustreerd door Emmy Verhoef (Uitgeverij Blimbing, Westerweg 61, 1815 DD Alkmaar). Deze uitgave geeft de melodie (voor zangstem, zonder begeleiding) plus de tekst van vijftig krontjongliedjes, zo te zien foutloos en allemaal behalve één in de oude vertrouwde Nederlands-Indische spelling. De tekeningen zijn soms wat zoetelijk, maar niet slecht, en het nawoord is mij uit het hart gegrepen. 'Dan opeens de schreeuw 'Tarik boeng!' (trekken boeng, of liever gezegd geef 'm er van langs). De violist klimt in zijn instrument en dan is er de betovering: hij houdt de viool omhoog bijna op zijn sleutelbeen en kijkt langs de toets alsof hij de gestreken noten biologerend nastaart..'

Het wachten blijft op die aanroep, schrijft Deetman, en zo is het.