Verwante zielen in Kopje Alleen; Pioniers van de Zuid-Afrikaanse literatuur

A.H.M. Scholtz: Vatmaar, verhaal over een voorbije tijd. Uit het Afrikaans vertaald door Riet de Jong-Goossens. Meulenhoff, 416 blz. ƒ 49,90 en ƒ 65,- (geb.)

Olive Schreiner: Een plaats in Afrika. Uit het Engels vertaald door Robert Dorsman. Podium, 327 blz. ƒ 39,90

Voor zijn debuutroman Vatmaar verzamelde de de Zuid-Afrikaanse schrijver A.H.M. Scholtz naar eigen zeggen “'n klomp stories”. Het boek, met de ondertitel 'n Lewendagge verhaal uit 'n tyd wat nie meer is nie' baarde in 1995 opzien. Niet alleen omdat de auteur al 72 was, maar vooral omdat hij als kleurling (bruinmens) zijn boek publiceerde in zijn moedertaal, het Afrikaans - een bijna politieke daad in een land waar die taal lang beschouwd is als het privilege van de blanke Afrikaners.

Met Vatmaar gaf de in Kimberley geboren Scholtz die bruinmens in Zuid-Afrika een stem, en bovendien een geschiedenis: het boek beschrijft de pioniersdagen van een fictieve plattelandsgemeenschap van voornamelijk kleurlingen ten noordoosten van Kaapstad. Vatmaar begint als een pachtgebied van het nabijgelegen Du Toitspan en groeit in het eerste kwart van deze eeuw uit tot een volwaardig dorp met een eigen kerk (moeizaam bevochten) en uiteindelijk zelfs een ziekenhuis. De 'ik' in Vatmaar, een man die boekstaaft wat hij als jongetje te horen kreeg, kijkt met weemoed terug op de saamhorigheid en eenvoud van de nederzetting aan de spoorlijn ('Er waren alleen landwegen, met gaten erin die vanzelf dichtgingen als het regende... Vatmaar was arm, en toch kenden we geen armoe'). Maar de verhalen die hij vertelt spreken andere taal: de trotse bruinmensen van Vatmaar moeten vechten tegen discriminatie en gerechtelijke willekeur, natuurrampen en menselijke wreedheid; ze zijn taai als het melkbos in de Karoo-woestijn en op alles voorbereid. Want, zoals een van de markantste dorpsbewoners het formuleert: 'het onverwachte gebeurt meestal wanneer je het het allerminst verwacht.'

Een conventionele roman kun je Vatmaar niet noemen. Scholtz rijgt een snoer van anekdotes en verhalen, mengt historische terugblikken met persoonlijke liefdesgeschiedenissen, en wisselt van register met ieder personage dat hij aan het woord laat. Een grote lijn is er niet; de invloed van de orale cultuur van het Zuid-Afrikaanse platteland is onmiskenbaar. Verleden tijd en tegenwoordige tijd worden door elkaar gebruikt, dialogen zijn niet door middel van aanhalingstekens van het verhaal gescheiden, typerende beschrijvingen ('een traan rolt uit het oog dat levend is maar niet kan zien') keren van tijd tot tijd terug - als homerische formules in een heldendicht. Het resultaat is een boek dat je ondergaat als een panorama van levensverhalen die aan tafel of bij het kampvuur persoonlijk aan je verteld worden. Gruwelijk, spannend, humoristisch, soms te breed uitgesponnen, maar altijd direct.

“Iedereen kan 'stories' vertellen - a story is maar 'n glorified leuen, een verheven leugen,” zei A.H.M. Scholtz een paar maanden geleden in een interview met deze krant. De schrijver van het inmiddels veelbekroonde Vatmaar was te bescheiden. Niet iedereen schept in zijn eerste boek zulke memorabele personages als Tante Wonnie, de fermste vrouw van Vatmaar, die verraden wordt door de (blanke) mensen die ze ooit gered heeft; of haar dochter Kaaitjie die door haar jaloerse werkgeefster gedwongen wordt tot breipenabortus van het kind van haar grote geliefde. En niet iedereen heeft de beschikking over de laconieke stijl die gruwelen beschrijft zonder te vervallen in huilerigheid. Scholtz mag af en toe wat didactisch of langdradig overkomen, zijn natuurlijke dialogen en originele formuleringen pareren de meeste kritiek. Zowel liefde als dood worden op een onnadrukkelijke manier prachtig verwoord.

Bij verschijning in Zuid-Afrika werd Vatmaar ontvangen als 'die eerste betekenisvolle roman in Afrikaans deur iemand anders as 'n wit skrywer'. Het toeval wil dat de Nederlandse vertaling tegelijkertijd uitkwam met die van een oudere Zuid-Afrikaanse klassiek, The Story of an African Farm van Olive Schreiner. Aan het eind van de vorige eeuw was Schreiner de eerste Engelstalige Zuid-Afrikaanse schrijfster die niet in de vorm van memoires of andersoortige non-fictie over de Karoo schreef. Haar in 1883 gepubliceerde ontwikkelingsroman over twee buitenbeentjes in de Kaapprovincie had grote invloed op latere schrijvers, en werd geprezen door George Bernard Shaw, een van de vele intellectuelen die zich aangesproken voelden door Schreiners progressieve engagement. De Nederlandse suffragette Aletta Jacobs, zo vertelt Henk van Woerden in het nawoord bij de nieuwe Nederlandse vertaling, maakte in 1911 zelfs een slopende omweg tijdens haar reis door zuidelijk Afrika om haar collega-feministe in het gehucht De Aar te kunnen ontmoeten.

Wie leest over de ontvangst van Een plaats in Afrika een eeuw geleden, krijgt het gevoel dat het boek vooral gewaardeerd werd om de maatschappelijke problemen (discriminatie, uitbuiting, abortus) en de levens- en kunstfilosofieën - de 'waarheid' van verzonnen verhalen is een belangrijk thema - die Schreiner erin had verwerkt. Tegenwoordig doen die wat nadrukkelijk en gedateerd aan, en zal de lezer eerder gegrepen worden door Schreiners lyrische stijl en haar karakterisering van de bewoners en bezoekers van een eenzame plaas (boerderij) in de halfwoestijn. Net als Vatmaar is Een plaats in Afrika los en uitwaaierend van opzet, maar er zijn twee duidelijke hoofdpersonen: Waldo, de in zichzelf gekeerde zoon van een Duitse immigrant die droomt van een toekomst in de wijde wereld, en de vrijgevochten Lyndall die rebelleert tegen haar aartsconservatieve en sadistisch aangelegde tante/voogd. In het eerste deel van het boek zien we vooral het kinderleed dat deze twee verwante zielen in Kopje Alleen moeten doorstaan; in het tweede, veel minder sterke deel zien we hoe ze ieder op hun eigen manier hun idealen kwijtraken.

Toch is het noch de sullige schapenhoeder Waldo noch de wilde Boere-dochter Lyndall die Een plaats in Afrika tot een opmerkelijk boek maakt. Allebei staan ze in de schaduw van de gewetenloze Bonaparte Blenkins, een Münchhausiaanse fantast die uit het niets op de plaas arriveert, de vrouw des huizes inpalmt en iedereen terroriseert. Zijn transformatie van inventieve oplichter tot amorele wreedaard was een hele roman waard geweest. Als hij aan het eind van Deel Een uit het verhaal verdwijnt, is het een (te) grote stap om door te schakelen naar de heel wat minder spannende en humoristische wederwaardigheden van de door hem gepeste kinderen.

Tijdloos klassiek zou ik Een plaats in Afrika niet willen noemen, maar het is zonder twijfel een boek dat (na bijna een eeuw) een nieuwe Nederlandse uitgave verdiende. Goed vertaald door Robert Dorsman is het een waardig begin van een reeks van literaire hoogtepunten uit Zuid-Afrika die de komende jaren in samenwerking met onder meer de Stichting Kairos en de Zuid-Afrikaanse ambassade zal worden uitgebracht. Een reeks waarin op den duur ook A.H.M. Scholtz' veel minder conventionele Vatmaar niet zou mogen ontbreken.